[Verzonden op 26 november 2025 vanuit Melbourne]
Vogeldag met 69 soorten
Tijd voor het verslag van het laatste deel van onze reis. Brief 8 eindigt bij onze aankomst vanuit Hobart op Tasmanië in Melbourne, weer op het vasteland. In Melbourne blijven we het grootste deel van de dag in de buurt rondhangen bij de enorme waterreservoirs. Dat is een verrukkelijk gebied voor alle vogels die iets met water hebben en de plek is – terecht – uitgeroepen tot Ramsar site (beschermde plek voor watervogels).
We waren voorbereid op veel verschillende moeilijke steltlopers die allemaal net andere pootjes of snaveltjes hebben en die je alleen kan onderscheiden door listige vlekjes hier en daar. Die leer ik in nog geen honderd jaar uit elkaar houden. Maar de eerste vogels die we dichtbij zien zijn de brolga’s, prachtige kraanvogels met een mooi getekende kop en statig zoals alle kraanvogels. Die kunnen ook wij niet missen. De hele dag is een groot feest van prachtige vogels. Eenden – we hebben maar één mogelijke soort gemist – reigers, lepelaars, pelikanen, steltkluten en massa’s en massa’s zwarte zwanen. Natuurlijk zijn er ook steltlopers, maar die zitten zo dichtbij dat je alle pootjes, snaveltjes en vlekjes prima ziet. Aan het eind van de dag bestaat de totaallijst uit maar liefst 69 soorten. Niet alleen het aantal soorten is enorm, ook de aantallen van alles zijn overweldigend. De vogels hebben hun literatuur goed bestudeerd en weten dat ze hier veel voedsel vinden en veilig zitten.

Brolgakraanvogel
Het fijne aan deze reis en deze groep is dat er uitgegaan wordt van de vogels en niet van de foto’s. Bij de dwergpinguïns zijn we weggegaan zodra we de indruk hadden dat ze onrustig werden. Hier lopen we een stuk terug omdat het vloed wordt en de vogels de stukjes bij de kust nodig hebben om voedsel te zoeken. Guille speelt wel geluid af, maar heeft al een paar keer gezegd dat hij na een keer het niet meer afspeelt, omdat de vogels jongen hebben en hij het niet verantwoord vindt om ze te storen. Dat voelt goed en heel wat beter dan een gids die je bij 40 graden tot de orde moet roepen omdat de foto nog niet 100% is. Pas om zes uur verlaten we het reservoir en gaan dan op weg naar Anglesea aan de Great Ocean Road. Qua weer zijn we er flink op vooruit gegaan. Het waait enorm, maar de temperatuur is een stuk aangenamer en op twee buitjes na is het droog.
Bij de Great Ocean Road
De dag in Anglesea is koaladag. We zitten nu in Victoria waar we met de wandeltocht zo ontzettend veel koala’s gevonden hebben en vandaag gaan we die opnieuw proberen te vinden. Maar we beginnen de dag met zoeken naar – zoals Guille het aankondigt – kleine, bruine vogeltjes die erg ongedurig zijn. We lopen door een mooi heide-achtig gebied met een enorme variëteit aan planten waarvan er veel in bloei staan. Zelfs als we al het kleine, bruine spul missen, vermaken we ons hier prima. Het weer is aangenaam en sinds lange tijd moeten de zonnepetjes weer uit de rugzak. Het wemelt er van de vogels, maar één diersoort is nog ruimer vertegenwoordigd dan alle vogels samen: het barst van de muggen. Gelukkig heb ik – als enige – muggenspul bij me. Zonder is hier niet te harden, zeker niet als je stilstaat voor een vogel wat we nu eenmaal vaak doen. De vogeltjes werken zo goed mee, dat Rik er heel wat vast kan leggen en ik er heel wat zie. Natuurlijk missen we er een paar, maar de meeste krijgen wij te pakken.
Het uurtje dat we er zouden blijven is, zoals heel geregeld gebeurt, uitgelopen tot een ochtend. Koala wordt doorgeschoven tot na de lunch. Dat blijkt hij niet erg te vinden. We vinden hem hoog in de boom, lekker leunend en stevig slapend in de vork van zijn boom. Natuurlijk missen we andere leuke dingen niet, zo vinden we de triggerplant, een plant met een trosje roze of witte kleine bloemetjes. Triggerplant heeft een heel slim mechanisme ontwikkeld. Zodra een insect op het bloemetje landt, schiet van onder af een setje gebogen meeldraden met een klap omhoog. Ongewild transporteert het insect zo het stuifmeel van de ene naar de andere bloem. Wat later zien we een tweede koala, ook hoog en slapend, maar van deze kunnen we het kopje met de neus en de gesloten oogjes goed zien.

Australische Koningsparkiet bij de Great Ocean Road
De geweldige satijnblauwe prieelvogel die we met de eerste vogeltour al gezien hebben, is vandaag weer van de partij. We zien jonge exemplaren en vrouwtjes die diverse kleuren hebben en het prachtige, glanzend blauwe mannetje. Ze zijn schitterend. Prieelvogel is niet alleen zelf blauw, ook in zijn prieeltje wil hij alleen maar blauwe dingen. We schroeven de – blauwe – dop van een waterflesje, leggen die midden op de weg en gaan van een afstandje kijken wat de prieelvogel die ons vanuit de boom gadeslaat, doet. De dop ligt er nog niet of daar komt hij aanzeilen, laag over de weg, de andere kant de bosjes in. Heel even blijft het stil en dan scheert hij weer laag over de weg. De derde keer landt hij op de weg, kijkt even met een schuin kopje naar de dop, hipt ernaar toe en is meteen weg, de blauwe dop in zijn bek. Zo’n aanbieding kan je als satijnblauwe prieelvogel echt niet laten lopen.
We zijn met alle planten wat achterop geraakt als ze ons komen waarschuwen: de grijze reuzenkangoeroe is gesignaleerd. We lopen er snel heen, maar eigenlijk is dat niet nodig. Het groepje grote kangoeroes zit prachtig in het licht genoeglijk samen te smikkelen van het gras. Ze kijken wat, krabben wat en eten dan weer een hapje gras. Ze zitten er volledig op hun gemak en we kunnen lang van ze genieten. Als ze weghoppen op hun grote achterpoten, kan je goed het verschil met de wallabies zien. Kangoeroes hebben in verhouding nog veel langere achterpoten. Na het kangoeroefeestje is het al behoorlijk laat en we moeten terug om op tijd voor het diner thuis te zijn.

Reuzenkangoeroe
We halen het niet. Op de terugweg treedt koala op. Wie zegt er dat koala’s niet actief zijn? Deze denkt er heel anders over. Ze klimt vanuit haar boom naar beneden en we zien haar in het gras bij de boom lopen. Ze loopt naar de berm komt tevoorschijn en steekt met het grappige, typische koalaloopje de weg over. Daar staat ze even stil kijkt rond, kiest een boom en springt in de boom en klimt omhoog. Ze blijft niet lang zitten, kennelijk is de boom niet wat ze wil. Ze klimt weer omlaag, springt met een grote sprong over naar een dunner boompje , stapt nog over wat andere takken heen en pakt dan een takje om te eten en gaat zitten eten, waarbij ze met haar pootjes steeds takjes naar zich toe trekt om ze op te peuzelen. Ze zit vrij laag, hooguit op 1 – 1,5 meter en eet van een struikje. Vertel ik altijd dat koala’s eucalyptus eten en hooguit af en toe een ander blaadje, deze koala eet helemaal geen eucalyptus. Ze eet van een ander struikje (Melaleuca) dat wel net als de eucalyptus in de mirte familie thuishoort. Kennelijk was dit haar voorafje, want na een korte maaltijd, klimt ze naar beneden, loopt naar een dikke blauwe gumboom (wel een eucalyptus) en springt met een reuzensprong in de boom. Ze springt meer naar boven dan ze klimt en is binnen de kortste keren in de kruin van de hoge boom. Daar doet ze zich tegoed aan de eucalyptus bladen. Dachten we met de wandeltocht al alles wat we ons konden wensen op koalagebied gezien te hebben, deze koala moet de hele middag nagedacht hebben over hoe zij ons nou eens opnieuw kon verrassen. Het is haar gelukt! We zijn te laat aan tafel, maar mooier kan een dag toch niet zijn.

Koala gaat het pad oversteken
Terug naar Melbourne
We verlaten nu definitief de zuidkust van Australië en rijden terug richting Melbourne. We blijven nog even in het zuiden hangen om het gematigd regenwoud ten oosten van Melbourne te bezoeken. Voor vertrek kijken we nog een keer langs de kust naar vogels en dan gaat het richting Melbourne. In Ocean Grove stoppen we bij een prachtig meertje in een rustige wijk waar je schitterend zou wonen. We hebben één soort eend gemist, die volledig terecht ‘stippeleend’ eend. Hem bevalt de luxe woonwijk wel, ze lijken naar volle tevredenheid in de wijk te wonen. Het kan niet anders dan dat we ook andere vogels zien en een van de bewoners komt naar buiten om een mooi fotoboek te laten zien dat een van de buren gemaakt heeft over alle vogels in het meertje.

Regenbooglori bij Ocean Grove
Rondom Melbourne is het een gekkenhuis op de weg en de mannen chauffeurs moeten uiterst geconcentreerd rijden. Nadat we de grote stad voorbij zijn wordt het een stuk rustiger en rijden we door een mooi groen landschap. Na nog een stop bij voormalige zoutmeren, bereiken we eind van de middag het hotel in Heavesville. We krijgen weinig tijd om van de kamer te genieten, want voor vanavond staat de liervogel op het programma.
Weer de Dandenong ranges (tot onze verrassing)
Om liervogel te vinden moeten we een flink eind rijden. We pikken onderweg pizza’s op die we opeten bij de picknickplek voor we aan de wandeling beginnen. Tot onze verbazing stoppen we bij een bordje van het Dandenong Ranges National Park waar we samen een maand geleden zijn geweest. We stoppen nu in Kallista dat helemaal aan de andere kant van het park ligt. Als de pizzadozen op tafel komen, vliegen een aantal andere gasten meteen aan: de prachtige blauw-rode pennantrosella’s, later gevolgd door de geelkuifkaketoes. Vroeger kon je hier zaad kopen om de vogels te voeren, maar daar zijn ze mee gestopt. De vogels willen daar niet aan en komen toch bij je zitten. Omdat pizza niet echt gezond is, pluk ik de droge crackers met zaad uit mijn rugzak en geef ze die. De rosella’s en kaketoes komen direct op je arm, schouder of hoofd zitten om het lekkers op te peuzelen. De kaketoe zit op zijn dooie gemak, maar hij is best zwaar om op een uitgestrekte arm te houden. Maar jullie snappen dat ik hier veel meer van geniet dan van de pizza die ook uitstekend is.
We lopen over het liervogelpad het bos is dat net zo mooi is als het gedeelte bij Olinda waar wij waren. We lopen een flink stuk en dan ziet Guille iets bewegen: de liervogel. Hij is zoals een liervogel betaamt razend snel, maar we zien hem allebei geweldig. Rik heeft in de haast een foto gemaakt, helaas mist zijn hoofd (van de vogel). Later zien we er nog een in de berm die heel ver weg is en op de terugweg ziet Rik nog aan het eind van een doorgangetje door de struikjes een staart. De liervogel is prachtig om te zien. Hij is ongeveer zo groot als een kleine fazant, maar het mannetje heeft onwaarschijnlijk lange gestreepte staartveren met lange franjes eraan. Om vrouwtjes te imponeren vouwt hij die bij de balts boven zijn rug in de vorm van een lier. Daarnaast kan hij prachtig zingen en alles imiteren wat hij wil: kettingzagen, veel andere vogels tot de klikjes van camera’s aan toe. Alles om mevrouw liervogel te behagen. Als wij er zijn is meneer opmerkelijk stil. Het is nu de tijd van de jongen en er is dus veel werk aan de winkel. Geen tijd over om met de dames te flirten. De dames hebben trouwens met het gesloof voor de kleintjes wel wat anders aan hun hoofd.
Maar we zijn nog niet klaar voor de avond. Op een andere plek gaan we op zoek naar zoogdieren. Als eerste zien we een oostelijke koeskoes hoog in de boom, maar dan komt het hoogtepunt: de great glider. Dat is echt een buideldier dat je hoopt, maar niet verwacht te zien. Het zijn forse, boombewonende buideldieren met een lange staart. Maar het meest bijzondere is wel dat ze tussen elleboog en enkel een groot loos vel hebben dat ze gebruiken of van boom naar boom zweefsprongen te maken. Als ze in de boom zitten, zijn die flappen netjes opgevouwen en zie je er niets van. Hij heeft een prachtig kopje met glanzende oogjes en klautert door de boom op zoek naar lekkers. We zien er twee en kunnen ze prachtig zien. Zonder zweefsprongen, maar dat zou moeilijk te volgen zijn in het donker. We hebben opnieuw een feestje hier. We zijn pas na twaalven thuis, maar het was het waard.
Naar de outback
Vanaf Heavesville hebben we een lange rijdag voor de boeg. We gaan naar het noorden, de outback in. We zijn de bergen – van de Great Divide Range – over en daarmee laten we de regen achter ons. We komen nu in het drogere achterland (outback) van Australië. Klaagden we eerst nog over de kou, in het noorden is daar nog weinig van over. We stoppen onderweg bij een bos en aan het bos zie je al gelijk dat we in een heel ander gebied zijn. Het is er veel droger, met andere soorten bomen en planten en we zien vogels terug die we op het eerste gedeelte van de reis hebben gezien. Er blijven veel eucalyptus en acacia soorten voorkomen, maar andere dan we eerst zagen. Na een lunch in Nagambie rijden we verder. Het is een vlak gebied met veel landbouw en veeteelt Op een van de velden staat vlak langs de weg een emoe. Hij moet duidelijk het verkeer en de mensen gewend zijn. Als we stoppen en uitstappen is hij wel op zijn hoede, maar rent niet weg. Na nog wat vogelstops zijn we redelijk vroeg bij het hotel in Deniliquin.
De bedoeling is eigenlijk dat we het eten van het hotel meenemen om het net als gisteren bij een picknicktafel onderweg op te eten. Maar daar doet het restaurant niet aan, dus we zitten om zes uur aan tafel. Waarom wilden we snel weg? Vanavond staat een unieke doelsoort op het programma: de trapvechtkwartel. Een vogel die er een beetje uitziet als een kleine kwartel, maar zo’n verwaande eigenheimer is dat hij bij niemand wil horen. Taxonomen hebben hem serieus genomen en nu zit hij in zijn eentje in een aparte vogelfamilie voor hem alleen. Vogelaars – sommigen verzamelen ook families – willen dus dolgraag dit unieke enige kind in de familie zien. Maar daar houdt hij niet van. Overdag als hij wakker is, ziet hij je al van ver aankomen en is dan met zijn kleine lijfje snel weg in de vegetatie. Je moet hem dus betrappen als hij ‘s nachts slaapt.
Na een goed en lang diner – het toetje hebben we geskipt – gaan we om tegen half acht op pad. Het is nog anderhalf uur rijden naar waar trapvechtkwartel woont en dan moeten we nog zoeken tot we hem vinden. Oorspronkelijk zouden we hem met een gids dichterbij gaan zoeken, maar die gids is afgezegd. De werkwijze van de gids leidde tot klachten. In plaats van wandelend op zoek te gaan en te zorgen dat je niet op slapende vogels of op nesten trapt, ging hij met hoge snelheid met zijn jeep door het veld, zonder oog voor nesten en vogels. Dat deed hij tot vogel zich rot schrok en opvloog. Dan had je hem gezien en was het klaar. Daar vroeg hij 200 A$ (120 euro) per persoon voor. Guille is altijd heel respectvol met wat we zien en verstoort niets en voelt na de slechte reviews, niets voor deze gids. Dat pleit voor hem. Wij gaan nu naar een verdere plek en moeten in ganzenpas achter Guille aanlopen om niets te vertrappen. We lopen lange tijd in het donker over een vegetatie van laag gras met stukjes kale grond.
Jan en Guille speuren met de warmtekijkers en onze eerste vondst is een grote steen die overdag lekker warm is geworden. Leuk, maar niet wat we zoeken. Dan snelt Guille vooruit met ons in zijn kielzog. Hij heeft een klein buidelmuisje gevonden. Je moet twee keer kijken voor je het kleine diertje doodstil ziet zitten. Het is de dikstaartsmalvoetbuidelmuis en het is – geloof het of niet – een roofbuideldier en verwant aan de Tasmaanse duivel. Wij hoeven niet voor hem te vrezen, maar het is een beduchte jager die zelfs hagedisjes kan vangen. De dikke staart heeft hij niet altijd. Net als de vetstaartmaki, is zijn staart zijn provisiekast en slaat hij vetreserves op in zijn staart die daardoor heel dik kan worden. Zo kan hij de droge tijd met weinig voedsel doorkomen.
Daarna zien we een prachtig slangetje dat een pootloze hagedis blijkt te zijn, Net als de buidelmuis heeft hij een indrukwekkende Nederlandse naam: zwartkopschubpoothagedis. Het schubpoot slaat op rudimentaire restjes poot die je zelfs op een goede foto niet ziet. Het is volgens de Australische lijst van beschermde dieren een ernstig bedreigde soort waar maar vier populaties van zijn. Guille heeft hem nooit eerder gezien en is erg blij om hem te vinden. Na lang zoeken staken we de zoektocht naar de trapvechtkwartel, zelfs ‘s avonds wil hij ons niet ontvangen. Eerlijk gezegd denk ik dat ik het buidelmuisje wel zo leuk vind. Kwart voor een komen we thuis, het is serieus bedtijd.
De mallee
Na een nachtje verlaten we Deniliquin, maar voordat we echt vertrekken gaan we naar het Murray Valley Regional Park. Het is een mooi bos langs de Murray rivier en in het bos wonen de prachtige, kleurige barrabandparkieten. Ze zijn druk met elkaar en druk met eten en ontzettend leuk om te bekijken. We zien prachtige rosella’s en een hoop kleine vogeltjes die vaak wel op de foto willen. Na het bos gaan we verder richting noorden naar Mildura. De temperatuur blijft oplopen en jasjes en vesten die we een paar dagen geleden nog hard nodig hadden, zijn nu volstrekt overbodig. Gelukkig is het in tegenstelling tot het noorden ‘s morgens en ‘s avonds een stuk koeler en ook overdag halen we echt geen 40 graden meer, maar 33 graden is ook best warm.

Barrabandparkiet in Murray Valley Regional Park
‘s Middags stoppen we om in de zogenaamde mallee te gaan wandelen. De mallee is een vegetatietype dat zijn naam dankt aan de overheersende eucalyptussoorten. Het zijn lage bomen met enorme ondergrondse knolvormige wortels waaruit meerdere stammen ontspringen. De mallee komt voor in meerdere staten van Australië en hier in Victoria is de mallee het droogste en heetste gebied. Alleen deze mallee eucalyptus soorten zijn opgewassen tegen de droogte en de hitte. Bij een nog extremer klimaat geven zelfs de eucalyptusbomen het op. De mallee is vlak en laag gelegen en heeft over het algemeen een zandige bodem en is bijzonder onvruchtbaar. In de mallee vind je vogels die nergens anders willen wonen. Tijdens een wandeling door de mallee vinden we dan ook weer nieuwe vogels waaronder verschillende soorten kleurige papegaaien.
Hier woont ook de thermometervogel (malleefowl). De thermometervogel hoort bij de grootpoot-hoenders en zit qua grootte tussen een kip en een fazant in. Hij is prachtig getekend met een soort zwarte schubben op een bruine ondergrond en grijswit en zwart op kop en borst. Het is een grondvogel en de mannen doen het zware werk. Thermometervogel broedt niet, maar manlief graaft in de winter een gigantische kuil van 3 meter doorsnee en 1 meter diep. Dan verzamelt hij blaadjes, takjes en ander organisch materiaal en dumpt dat in de kuil en wacht op de regen. Als het genoeg geregend heeft om een composthoop te starten, mengt hij het zand en de blaadjes goed door elkaar om de compostering op gang te brengen en graaft, soms met hulp van mevrouw Thermometer, een eikamer in de berg. Soms heeft hij sjans en leggen wel drie vrouwtjes hun eieren in zijn hoop. De warmte die ontstaat bij de afbraak in de composthoop, zorgt ervoor dat de eieren lekker warm worden uitgebroed. Manlief houdt, alsof het een gevoelig ovengerecht is, de temperatuur nauwlettend in de gaten. Hij heet namelijk niet voor niets thermometervogel. Met zijn snavel kan hij de temperatuur in de hoop meten. Door met zijn grote graafpoten zand te verplaatsen kan hij, afhankelijk van de buitentemperatuur, dan zorgen voor een constante broedtemperatuur tussen 32 en 34 graden. Zijn de jongen eenmaal uit het ei, kijken de ouders er niet meer naar om. Ze moeten het zelf redden en kunnen binnen 24 uur al vliegen.
Natuurlijk willen wij thermometervogel graag zien. Maar hij heeft een groot nadeel: hij is uitermate schuw en vertrouwt bij dreigend gevaar op zijn camouflage en dat is geheel terecht. Als hij zich tegen de grond drukt, is hij onvindbaar. Vliegen kan hij wel, maar doet hij alleen als hij bejaagd of opgeschrikt wordt. Guille’s truc is om een nesthoop te vinden en daar op flinke afstand bewegingloos bij te staan wachten tot meneer Thermometer komt inspecteren of alles nog in orde is. We wachten en na een poosje concludeert Jan droog: ‘Kip is niet thuis’. Het is waar, de nesthoop lijkt bij nadere beschouwing niet in gebruik. Ze passen een soort wisselbouw toe. Omdat er voor de decompositie veel bladmateriaal nodig is, kan een nesthoop niet veel jaren achtereen gebruikt worden. Ze zoeken dan een andere nesthoop of graven een nieuwe kuil. Als oude kuilen lang genoeg leeg hebben gestaan, heeft er zich weer genoeg blad en ander organisch materiaal in de buurt verzameld en kan een hoop weer in ere hersteld worden. Door de afwezige kip zijn we te laat voor het eten en moeten we eerst aan tafel voor we in Mildura naar de kamer mogen.
In Mildura slapen we opnieuw maar één nachtje en we staan weer eens ouderwets vroeg op wat bij deze reis niet zo vaak is gebeurd. In alle vroegte gaan we thermometervogel bij een andere nesthoop zoeken. Je moet er een stuk rijden en een wandeling voor over hebben om op 30 meter afstand de nesthoop te zien. We stellen ons op voor een lange wacht, want thermometervogel laat zich niet sturen. We staan anderhalf uur op dezelfde plek en zien dan drie korte optredens van de geweldige vogel. Drie keer verschijnt hij opeens op zijn heuvel, kijkt wat rond, loopt eventjes bij of op de heuvel en verdwijnt dan weer achter de heuvel. De vierde keer hebben we echt geluk. Meneer stapt op de heuvel en begint driftig te graven. Met zijn grote poten schept hij potenvol zand hoog op en zo bewerkt hij al gravend een deel van de heuvel. Na een tijdje is hij kennelijk tevreden met het resultaat en verdwijnt weer van het toneel. We hebben geduld moeten hebben, maar hem wel bijzonder goed gezien.

Thermometervogel
Geslaagde excursiedag met daarna 'onvoldoende hotel'
We stappen nu over in twee 4WD busjes voor een tour met twee gidsen van het Hattah Kulkyne National Park. Het is een echt Australische tour waarbij de gasten in de watten gelegd worden. Zoals altijd arriveren we veel te laat op het afgesproken punt waar de busjes wachten. Omdat we nog steeds geen ontbijt hebben gehad, stellen Guille en Jan voor dat we bij het winkeltje wat te eten kopen, maar de parkgidsen beloven ons na een half uur koffie met cake. Er worden tafeltjes uitgeklapt en er is thee, koffie en een keur aan cakes en koekjes waar we zo rond half elf best zin in hebben.
Het park is geweldig en dat vinden de kangoeroes ook. We zien talloze rode en grijze kangoeroes. De rode reuzenkangoeroes zijn enorm. Als ze rechtop zitten, lijken ze de hoogte van een mens te hebben. Ze springen op hun achterpoten – hun achterpoten kunnen alleen tegelijk bewegen – met enorme sprongen op hoge snelheid weg. Ze halen 60-70 km per uur en kunnen dat ook zeker een uur volhouden. Het zijn de grootste buideldieren die er bestaan. Maar ook de grijze reuzenkangoeroe is niet mis. Hij mag iets kleiner zijn, maar is ook schitterend. Zeker ook de aantallen die we zien zijn geweldig.
De excursie in het park is echt genieten. We rijden door verschillende delen van het park en zien zowel het bos met vooral de grote rode gomboom in de buurt van de rivier als de drogere mallee met de lagere mallee eucalyptussen. We stoppen geregeld om te kijken naar het landschap, vogels of kangoeroes. De emoes vinden het hier ook prima. Op een veld groeit een plantje met bloemetjes die in Australië dropplant worden genoemd. Daar zijn de emoes dol op. De acht emoes op het veld laten zich door niets of niemand afleiden, zo lekker vinden ze de dropplanten.

Hattah-Kulkyne NP
Voor de lunch is er van alles mee in ingebouwde koelkasten. Die heb je wel nodig, want aangenaam is de temperatuur niet meer, het is akelig heet. Ze pakken uit met broodjes een keur aan beleg, sap en vers fruit. Bij een waterinstallatie krijgen we uitleg over het uitgekiende waterbeheer in het park. Met opvang in reservoirs zorgen ze ervoor dat er in de loop van het jaar ook in de droge delen nog genoeg water beschikbaar is. De technische uitleg ontgaat me, maar ik snap dat er over nagedacht is. Halverwege de middag stappen we weer uit de luxe 4WD busjes en is de tour afgelopen.
We gaan nu zelf nog vogels kijken, wat eigenlijk een beetje te heet is in de felle zon en met de hoge temperatuur. Opnieuw zijn we laat bij de accommodatie en aanvankelijk ben ik blij dat ik er met alle hitte ben. Deze keer slapen we in het niets en ook de accommodatie is niets. In tegenstelling tot de belofte hebben we geen eigen wc en douche wat we echt heel vervelend vinden. We hebben een klein donker en heet hok met alleen een bed, geen enkele vorm van koeling en het licht doet het op de bedlampjes na, niet. Als we dat bij de eigenaresse melden, zegt ze dat daarvoor de elektricien moet komen, maar dat die niet zomaar komt. Zo kan je toch geen kamer verhuren. Deuren kunnen niet op slot en het is zo gehorig dat je de ritsen van de tassen van je buren hoort. Het eten moeten we zelf in de oven zetten, want de eigenaresse komt pas later opduiken. Drinken is niet te koop en uit de kraan komt opgevangen regenwater dat we echt niet gaan drinken ook al verzekert de eigenaresse dat ‘iedereen dat drinkt’. Jan doet naar aanleiding van onze klacht over het sanitair navraag bij de organisatie. Het oorspronkelijke hotel heeft drie weken vooraf opeens afgezegd en dit was het enige wat beschikbaar was. We worden er niet blijer van, maar we hebben weinig te kiezen.
Via Wyperfeld National Park naar Bendigo
Na een warme nacht staan we vroeg op om voor het ontbijt naar het Wyperfeld National Park te gaan. We zien zo vroeg veel vogels die best op de foto willen en twee mooi roze incakaketoes vliegen over. Die hebben we gisteren ook al zien overvliegen. Is op het hotel veel aan te merken, het ontbijt is goed. We zoeken nog in de buurt en vinden dan niet alleen nieuwe elfjes (de in fraaie kleuren geschilderde kleine winterkoninkjes), maar ook de geweldige incakaketoes in een boom. Eentje zit vlakbij en eet van de boom. Met zijn snavel pikt hij iets op, pakt het over in zijn poot en peuzelt het dan lekker op alvorens een nieuw hapje te nemen. Later vliegt hij naar een soort cypres waar hij de kegeltjes opent om de zaden eruit te peuzelen. Ze hebben een zachtroze kop en borst overlopend naar wit en een rozig streepje boven de neus. Het allermooiste aan de incakaketoe is zijn roze-gele kuif, maar alhoewel hij zich aan alle kanten laat bewonderen, zet hij die niet op.
We hebben vandaag een lange rit terug richting zuiden. Het landschap blijft de hele dag hetzelfde: het droge en vlakke binnenland van Australië met ontzettend veel landbouw en vooral uitgestrekte graanvelden. Voor al die landbouw is water nodig dat uit naburige rivieren onttrokken wordt. Vandaag hebben we een uitgebreide lunch en een picknick diner. In het restaurant in Charleston treffen we een kleurig damesgezelschap aan. Ze zijn allemaal van zekere leeftijd, de meesten ook flink aan de maat, maar het meest opvallende is hun outfit. De corpulente dames zijn gehuld in rode en paarse ruime gewaden, hebben linten in hun haar of zelfs een rood bouwsel op hun hoofd, dragen grote kleurige sjerpen of kettingen. Een beetje het type ‘Ik ben toch zooo’n gek mens ‘ van Youp van ‘t Hek. Ze snateren vrolijk samen. Je hebt geen last van ze, maar opvallen doen ze.

Kleurig damesgezelschap
Na een korte stop bij het hotel in Bendigo, stappen we in voor de avondexcursie. We gaan naar een bosgebied dat in het Engels box-ironbark heet naar de overheersende eucalyptussoorten. We zijn eerder in dit bostype geweest, maar dit is een ouder en rijker bos met een gevarieerde ondergroei. Mooi om doorheen te lopen op zoek naar vogels. Het is allesbehalve vredig in het bos. We horen een boel kabaal en zien een groepje tuinhoningeters die in het Engels noisy miners heten en altijd luidruchtig zijn. Maar Guille met zijn scherpe ogen ziet dat ze met een groep een enkele jonge lelhoningvogel opjagen. De tuinhoningvogels zijn erg territoriaal en verjagen alles wat hun niet bevalt uit hun territorium. Ze trekken op in een kwaadaardig legertje en zitten ongewenste gasten net zo lang op hun huid tot hij dood is. Ze eten de gedode vogel helemaal niet, hij moet gewoon weg.
Ze vormen zo langzamerhand een probleem omdat ze het iets te goed doen. Ze leven niet graag diep in het bos, maar meer aan de randen. Omdat bosgebieden ook hier steeds kleiner worden en versnipperd raken, zijn er dus in verhouding veel plekken waar zij het goed doen en waar ze zich heer en meester voelen. De arme lelhoningvogel wordt flink achterna gezeten, zit ineengedoken in een struikje en wordt opnieuw aangevallen. Hij vliegt over een klein watertje en zit dan verkreukeld op de grond, verscholen achter een boomstammetje. Guille gaat ingrijpen. Hij loopt behoedzaam naar de vogel toe en met een snelle beweging heeft hij het arme beestje te pakken. Guille neemt hem – gewikkeld in mijn sjaal bij gebrek aan beter transportmateriaal – mee en zet hem uit op een plekje buiten het zicht van de boze tuinders met veel struikjes om zich in te verschuilen. Hij mag ook niet te ver weg uitgezet worden. Hij moet in zijn eigen territorium blijven, want waarschijnlijk wordt de jonge vogel nog bijgevoerd door de ouders. Guille weet dat allemaal en weet precies wat hij wel en niet moet doen. Het tuinhoningeterleger geeft niet meteen op. Als Guille met de vogel terugloopt komt er een op de stam zitten waar de stakker onder zat. Hij kijkt overal, inspecteert de plek waar hij zat, kijkt nogmaals rond en concludeert dan dat de vogel echt gevlogen is. Zulke intelligente dieren.
Na het bos volgt nog een late avondexcursie. Dat wordt een lange en late excursie, want ze gaan opnieuw zoeken naar de unieke trapvechtkwartel. Het is een uur rijden en ze gaan zoeken tot ze hem gevonden hebben, ongeacht de tijd die dat kost. Aangezien het acht uur ‘s avonds is, kan het niet vroeg worden voordat we daarvan terug zijn. Wij besluiten de kans op trapvechtkwartel aan ons voorbij te laten gaan. Wij blijven vanavond thuis. Na alle lange dagen en de start vanmorgen om vijf uur zijn we even toe aan rustig samen. Even zonder groep, tijd voor dagboekje, rondzendbrief en foto’s op orde te brengen. Slechts vier groepsleden gaan mee, maar ze hebben succes. Ze hebben de moeilijke vogel prachtig en lang gezien en waren om half een ‘s nachts weer thuis. Heel fijn dat hun missie geslaagd is na zo’n inspanning.
Laatste keer naar Melbourne
Vanuit Bendigo hebben we nog 150 km te gaan naar Melbourne. Geleidelijk aan verandert het vlakke land in meer heuvelachtig terrein en wordt de omgeving groener, terwijl de temperatuur begint te dalen. We halen in een groot winkelcentrum een picknicklunch die we opeten bij een soort sportveld. Daar woont namelijk de grote boeboekuil. We krijgen de boom aangewezen en moeten van Guille de uil zelf vinden. De echte vogelaars spotten hem al snel. Ik ben erg blij dat ik hem zelf vind en niet eens als laatste. Hij is goed herkenbaar aan een lange staart die uit de boom hangt. Die is niet van hemzelf. Boeboekuil heeft een oostelijke koeskoes gevangen die veel te groot is voor één maal. Hij zit nu met zijn poot stevig op de koeskoes verscholen in de boom. De lange, afhangende staart van de koeskoes is goed zichtbaar en verraadt de plek van de gecamoufleerde uil.
Iets verderop ligt in een parkje een grote groep grijze kangoeroes uit te rusten. Een enkeling hipt wat. Eentje doet precies wat Guille ons gisteren heeft uitgelegd. Om af te koelen graven ze koudere grond van beneden af naar boven en gaan dan op de koelere grond liggen. Een andere manier om af te koelen, is het likken van hun poten. Door het likken koelen de poten af. De bloedvaten liggen tegen de huid aan en zo koelt het bloed af en daardoor de hele kangoeroe. Wombat woont hier ook, maar laat zich pas ‘s avonds zien. We kunnen wel zijn woning zien: een groot hol met meerdere ingangen en ondergronds een complex gangenstelsel.
Halverwege de middag arriveren we in Melbourne zodat er tijd is voor een kleine sightseeing. Wij zijn al eerder in Melbourne geweest en bezoeken de botanische tuin die vlakbij het hotel is en zeer de moeite waard is. ‘s Avonds hebben we het laatste diner met de groep. Morgen vliegen ze terug, wij en een ander groepslid een dag later. We hebben het best getroffen met deze groep, allemaal sympathieke en rustige mensen met een brede interesse. De gidsen Jan en Guille zijn uitstekend. Guille heeft zo’n brede kennis en weet vrijwel alles wat we zouden kunnen zien, op te sporen.
Afscheid van Starling groep na laatste vogelochtend
De vlucht voor de groep is pas in de middag, dus ‘s morgens is er nog een vogelexcursie die eindigt op de luchthaven. Het is zonde om die te missen, dus wij gaan mee en reizen vanaf het vliegveld weer terug naar de stad, We gaan naar dezelfde vogelrijke reservoirs als waar we in Melbourne mee begonnen zijn. Onderweg krijgen we spijt dat we meegegaan zijn, want al onderweg doet de dreigende lucht waar hij al steeds op uit was. Het stort van de regen. Ook bij de reservoirs kunnen we alleen vanuit de auto kijken. Maar, na een uurtje klaart het op en eigenlijk hebben we geluk met de regen. Alle vogels zijn nu heel actief en gaan aan de slag om hun veren te fatsoeneren na alle nattigheid. Iedereen is ergens druk mee. Er is weer een overdosis aan vogels en de zwermen van misschien wel duizend kleine steltlopers die tegelijk opvliegen vormen een fascinerend gezicht. We brengen er een paar aangename uren door, voordat het tijd wordt voor de luchthaven. Daar leveren we de busjes in en nemen afscheid van de groep. Wij gaan met nog een groepslid en Guille met een Ubertaxi terug naar het hotel waar we pas rond 3 uur zijn.
De rest van de middag besteden we aan een belangrijk onderdeel: de wandelschoenen. Eind oktober mochten we de wandelschoenen met de losse zool in het hotel waar we eerst zaten achterlaten tot we ze nu weer op zouden halen. De oorspronkelijke medewerker die ze stiekem in zijn kamer had – de baas is streng en regels zijn regels – is voor een spoedgeval weggeroepen, maar zijn collega Ayush heeft onderweg een berichtje gestuurd dat hij het beheer heeft overgenomen. Als we het hotel binnenstappen worden we gelijk herkend en Ayush staat zelf achter de balie. We ruilen de schoenen tegen een doos chocolade en babbelen over wat we allemaal beleefd hebben. Wat zijn er toch veel aardige mensen. Na een rondje stad keren we huiswaarts voor een laatste nachtje Melbourne.
We hebben nog een ochtend in Melbourne. Donderdagmiddag stappen we in het vliegtuig richting huis, een lange vlucht via Singapore. Vrijdagochtend, 24 uur na vertrek, horen we in alle vroegte op Nederlandse bodem te landen. We hopen dat we daar geen spannende verhalen over kunnen schrijven. We sluiten dus voor nu de serie rondzendbrieven af. Dank voor al jullie mails terug. Tijd om te antwoorden is er meestal niet, maar wel leuk om reacties te krijgen en te lezen. En ook natuurlijk dank voor jullie geduld voor de lange verhalen.