[14 februari 2018]
Fietsen in Commewijne
Na twee nachten Paramaribo gaan we weer even de stad uit. We gaan vandaag de fietsen die voor ons klaarstaan ophalen en een paar dagen fietsen in het Commewijne district. Het Commewijne district is van oudsher een plantagegebied. En alhoewel er nu nog maar één koffieplantage is, herken je nog veel van de oorspronkelijke plantagestructuur aan de dorpjes en plaatsnamen. We halen de fietsen op en pakken in de bijgeleverde fietstassen de spullen voor een paar dagen en vertrekken dan richting Nieuw Amsterdam dat maar zo’n 10 km verderop ligt. Het fietsen is wel even wennen, want ze rijden links in Suriname, er zijn geen fietspaden, in de stad is druk verkeer en ze houden hier niet erg veel rekening met fietsers en passeren je soms behoorlijk krap. Als we eenmaal de stad uit zijn wordt het richting Nieuw Amsterdam een stuk rustiger. In Suriname doe je veel per boot en ook nu moeten we de grote Suriname rivier per boot oversteken om in Nieuw Amsterdam te komen.
We zetten de bagage af bij het hotel, zodat we de fietsen met een gerust hart achter kunnen laten als we even ergens willen kijken en gaan eerst naar Fort Nieuw Amsterdam. De resten van het fort dat diende om de kolonie te beschermen tegen kapers op de kust, zijn nu te bezichtigen in het openluchtmuseum.
Het voormalige kruithuis is nu ingericht als museum ter herdenking van de Surinaamse veteranen in de Tweede Wereldoorlog en in de Korea-oorlog. De informatie is niet geheel up-to-date, want ze geven aan dat nu 30! jaar na de oorlog er haast gemaakt moet worden met de veteranenclub omdat er ieder jaar minder veteranen zijn. Het meest bijzondere van het openluchtmuseum is het lichtschip, Dat is een omgebouwd zeilschip met een lichtbaken erop dat schepen moest waarschuwen voor gevaarlijke plekken.
Vanaf het fort rijden we volgens de route in ons routeboekje naar Mariënburg. In Mariënburg is maar één bezienswaardigheid en die kan je niet mislopen. Als we door het dorp fietsen, wordt er geroepen: u moet daar rechts af. ‘Daar’ is het terrein van de voormalige suikerfabriek en rumstokerij die in handen was van de Nederlandse Handelsmaatschppij. Op de oprit worden we al aangesproken door meneer Takee die nu 75 is en zijn hele leven in de fabriek heeft gewerkt en in een huisje bij de ingang woont. Als wij ons voorstellen, wordt Rik, zoals gebruikelijk hier, aangesproken als meneer Rik, maar als ik mijn naam zeg, vraagt hij of ik de vrouw ben van meneer Rik. Dat klopt. Vanaf dat moment ben ik mevrouw Rik. Meneer Takee is een aandoenlijke en innemende oude man en duidelijk aangedaan is door het lot van de fabriek. Hij herhaalt keer op keer hoe bij de onafhankelijkheid de Nederlandse Handelsmaatschappij voor het symbolische bedrag van 1 gulden de fabriek aan Suriname heeft verkocht, maar dat de grond nog steeds eigendom van Nederland is. Van de suikerfabriek is slechts een ruïne over. Er staat nog een hoog al lang leegstaand en vervallen gebouw waar vroeger de rum gestookt werd, we zien stoommachines, de oude spoorrails en een verroeste locomotief. Meneer Takee vertelt bij elk restant wat het geweest is, welke Nederlandse heren (meneer Visser, meneer Kok) er gewerkt hebben, waarbij hij elke zin begint met ‘meneer Rik, mevrouw Rik’. Hij is nog steeds vol lof over alle blanken en ook de blanken waar hij mee gewerkt heeft, want ‘die leerden ons discipline en dat hebben we nodig’. Hij herhaalt ook voortdurend dat al het Nederlandse geld bij zakkenvullers terecht is gekomen en elke keer als hij ons weer iets vervallens laat zien volgt er ‘jammer hè’. Inderdaad is het doodzonde dat zo’n goed functionerend bedrijf in zo’n korte tijd door wanbeleid vergaan is tot een hoop schroot. We hebben erg veel foto’s van de fabriek, want meneer Takee staat erop ons bij elk onderdeel te vereeuwigen ‘om te bewijzen dat we er zijn geweest’. We volgen zijn instructies braaf op, maar het kan zijn dat niet alle foto’s het fotoboek bereiken. We nemen afscheid van een prachtige rondleider en zullen nooit meer vergeten dat de grond nog van Nederland is. Meneer Takee lijkt hiermee wel te willen bezweren dat de Nederlanders weer terug komen om iets moois met de grond te doen.
Vanaf Mariënburg steken we met een bootje over naar Frederiksdorp waar we maar kort blijven, omdat het al laat is en we niet met donker terug willen fietsen. De voormalige plantage Frederiksoord is nu een nationaal monument. Er staan nog oorspronkelijke houten huizen en het oude politiebureau uit lang vervlogen tijden. Het heeft sinds een aantal jaren een nieuwe functie en is nu in zijn geheel een prettig aandoend resort met bijgebouwde bungalows. Terug bij het hotel informeren we tot hoe laat we kunnen eten. Het antwoord is verrassend. Er is helemaal geen eten. Geen probleem als je in de buurt kan eten, maar het enige restaurant dat nu nog open is, is een onaantrekkelijk uitziende mini-Chinees. Zodoende komen we met een pakje instant noodles en een voorschot op het ontbijt dat we al op de kamer hebben goedkoop de avond door. De reden dat we al ontbijt hebben, is dat ze hier pas vanaf 9 uur ontbijt serveren en dat is wel erg laat om aan de nieuwe dag te beginnen.
Aan de waterkant van Paramaribo kan er nog wat opgeknapt worden
Leguaan in de tuin van hotel Residence Inn
Onze fietsen op de boot naar Nieuw Amsterdam
Parakeet (of Parrotlet) bij Fort Nieuw Amsterdam
Meneer Takee bij Mariënburg
Restanten van de suikerfabriek in Mariënburg