Australië 2025 > rondzendbrief 3
Rondzendbrief 3 Australië 2025

[Verzonden op 4 oktober 2025 vanaf Fraser Island]

Eerste koala bij Mount Gravatt

Vanaf Fraser Island begin ik aan de derde brief die nog begint met de groepsreis in Brisbane. Vanuit Cairns zijn we naar Brisbane gevlogen waar Martin weer onze gids is. We komen laat aan en het enige wat we nog doen na aankomst is eten. Na een nachtje verlaten we Brisbane om naar Lamington National Park te gaan. Onderweg stoppen we nog bij een wetland (nat en waterrijk gebied) waar we weer prachtige fairywrens (in het Nederlands elfjes) zien met sprookjesachtige kleuren. Er vliegen maar liefst drie verschillende soorten rond en alhoewel ze nooit stilzitten, zien we ze alle drie. We zien ook een indrukwekkende zwarte slang, die rustig op een hoop dode stengels ligt.

Red-bellied black snake in de omgeving van Brisbane, Australië

Red-bellied black snake

Na dit mooie plekje gaan we naar Mount Gravatt. Daar heb je een kleine kans om koala’s te zien. Zijn ze in de dierentuin soms al moeilijk te vinden, hier met alle bomen waar ze als goed verborgen grijzig bolletje in zitten, is het nog veel moeilijker. Maar koala weet vast hoe graag ik hem wil zien. Hij zit prachtig op ooghoogte en wonder boven wonder – ze slapen 18- 22 uur per dag – kijkt hij ons met wakkere oogjes aan. Dat klopt natuurlijk niet, hij ruikt en hoort ons beter dan dat hij ons ziet, maar we kunnen zijn koppie goed zien. We kunnen zelfs zijn donkere geurklier op zijn witte borst zien, wat betekent dat we met meneer koala te maken hebben. Na een poosje klimt hij snel verder omhoog en gaat aan de achterkant van de boom zitten en kunnen we ook nog goed zijn leuke handjes zien. Hij is geweldig en onze dag kan niet meer stuk.

Koala bij Mt Gravatt, Australië

Koala bij Mt Gravatt

Lamington Park

We arriveren al kort na de lunch op onze bestemming, het Lamington Park waar we logeren bij O’Reilly’s Retreat Grounds. Het Lamington National Park, ruim 100 km ten zuiden van Brisbane en bijna 21.000 ha groot, is een van de beschermde delen van het gematigd regenwoud in Oost- Australië en bestaat al sinds 1915. Het park is beroemd om zijn prachtige natuurschoon, vogelrijkdom, oude bomen, watervallen, uitzichten op de bergen en fraaie wandelpaden. Het staat niet alleen op de Werelderfgoedlijst, maar is ook aangemerkt als belangrijk vogelgebied voor een aantal bedreigde soorten. Het grootste gedeelte van het park ligt op zo'n 1.000 meter, waardoor het er gelijk een stuk koeler is. Een van de bezoekers waar ze in het park erg trots op zijn, is David Attenborough die voor een van zijn natuurseries hier opnames van prieelvogels heeft gemaakt.

O’Reilly’s Retreat is opgericht in 1926, na het ontstaan van het park, grenzend aan hun land. Al sinds de oprichting zijn er toeristen en worden de vogels – op een verantwoorde manier – gevoerd, waardoor ze veel minder schuw zijn dan normaal. Je waant je in het paradijs. Rood-blauwe rosella’s (soort papegaai) en Australische koningsparkieten landen op hoofden en armen van mensen die ze voeren. Ook vogels die niets aan het voer hebben zijn hier door de jaren heen aardig tam geworden en goed te spotten. Op onze eerste wandeling zien we al heel veel. De zwartkopzwiepfluiter (whipbird) die zelfs wij aan zijn zang met een heuse zweepslag op het eind, op gehoor herkennen, horen we vaak. Hij laat zich echter nooit zien. Hier wel en doen we de eerste keer veel moeite om hem over de grond scharrelend te zien, bij een tweede keer loopt hij duidelijk zichtbaar langs. Het zelfde geldt voor de logrunner (stronkloper). Normaal gesproken zie je die als je geluk hebt in een flits, ver weg en tussen struikjes en blaadjes over de grond schieten. Hier zit hij voor je voeten zijn werk te doen: druk rommelen met de blaadjes, ze weggooien, omkeren en dan weer verderop hetzelfde doen. Het is hier fantastisch.

Rufous fantail in Lamington Park, Australië

Rufous fantail in Lamington Park

Een van de highlights die we hier zoeken is de schildgeweervogel (paradise riflebird). Een prachtige paradijsvogel met glanzende veren en een blauwgroene keel. Na lang zoeken vinden we hem hoog in de boom. Liet de vorige paradijsvogel al zijn verleidingstrucjes aan ons zien, deze heeft meer haast. Hij zit even en vliegt dan weg. Zelfs het afspelen van zijn geluid brengt hem niet op andere gedachten.
Na het eten gaan we opnieuw op pad om in het donker een uil te zoeken. Via de telefoon worden allerlei uilengeluiden afgespeeld, terwijl we met z’n allen in het stikdonker op een kluitje staan te wachten tot er iemand antwoord geeft. Geen enkele uil verwaardigt zich te antwoorden op de telefonische oproep. Wel zien we twee heldere oogjes hoog vanuit de boom op ons neerkijken. De oostelijke koeskoes (eastern ring-tailed possum) onderbreekt zijn nachtelijke werkzaamheden even om te weten te komen wat wij van plan zijn.

Twee soorten prieelvogels

De volle dag in Lamington Park starten we met een ware show. Hier zitten twee soorten prieelvogels, de geelnekprieelvogel en de satijnblauwe prieelvogel. Normaal gesproken vogels die uitermate schuw en moeilijk te vinden zijn. Hier krijgen ze om half zeven ‘s morgens een klein prieelvogelhapje. Gezien de lange tijd dat ze dat al doen zijn de vogels handtam, de geelnek wat meer dan de satijnblauwe. De rosella’s proberen ook een hapje te nemen, maar dat mag niet, die krijgen op een ander tijdstip en moeten de rest zelf zoeken. Als we aankomen zitten er al minstens zeven mannetjes en een stuk of wat vrouwtjes geelnek en een enkele satijnblauwe in de boom te wachten op de man van het hotel die over ze vertelt en ze tussendoor kleine hapjes voer geeft. Ook dit is een manier van soort- en natuurbescherming. De vogels trekken toeristen, die brengen geld in en daarmee wordt het belangrijk om het gebied met zijn grote variëteit in soorten intact te laten en goed beschermd en is alles wat er leeft goed beschermd.

Omdat we pas later gaan ontbijten heeft Martin mueslireepjes uitgedeeld. Als ik mijn mueslireepje openmaak en tegelijk naar de af en aan vliegende prieelvogels en rosella’s kijkt, snoept een rosella razendsnel van mijn mueslireepje. Om beurten komen de prieelvogels, rosella’s en koningsparkieten van mijn reep snoepen die binnen de kortste keren op is. De papegaaien landen op je hand, arm of hoofd, de prieelvogels pikken langsvliegend een hapje.

Crimson rosella in Lamington Park, Australië

Crimson rosella in Lamington Park

Na de verpletterende vogelvoorstelling doen we meerdere trails die op het terrein lopen om nog meer tamelijk tamme vogels te spotten. Wie niet echt tam is, is de liervogel. Tot geluk van iedereen zien we hem op het eind door de struikjes rennen. Hij blijft heen en weer rennen, wij doen hetzelfde wat eigenlijk niet zo snugger is. Door mijn kijker krijg ik hem niet te pakken en Rik krijgt hem ook niet op de foto, maar we hebben hem gezien. Ook ‘s middags maken we nog een uitgebreide wandeling onder meer door de botanische tuin. Daar zien we ook weer fantastische vogels. Natuurlijk zoeken de vogelaars ook naar soorten die zich niet willen laten zien. We zoeken hartstochtelijk naar de Australische pitta met zijn harde roep. Net als vorige keer geeft hij vriendelijk antwoord als hij de telefoonpitta hoort, maar zich laten zien, geen denken aan. Ook de paradijsvogel die we gisteren even gezien hebben, laat niets meer van zich zien of horen.

‘s Avonds gaan we opnieuw de trails op om het nachtleven in Lamington Park te verkennen. Net als gisteren klinken er alleen uilen uit de telefoon, maar we zien wel tot twee keer toe een knuffelige hondskoeskoes (short-eared brushtail possum). Een grappig diertje met een beetje spits, rozig snuitje, kleine roze oortjes en een licht buikje. De eerste keer loopt hij hoog in de boom heen en weer, de tweede keer zit hij vlak voor ons op zijn gemak te kijken. Vinden wij eerlijk gezegd leuker dan de uil.

terug naar Brisbane

Helaas vertrekken we na twee nachten weer uit het Lamington Park om terug te gaan naar Brisbane. Gelukkig gaan we niet heel vroeg, zodat we opnieuw kunnen genieten van de prachtige twee soorten prieelvogels tijdens de voedersessie. Van een van de prieelvogels, de satijnblauwe, hebben we ook het prieeltje gezien. Hij heeft een klein hutje van takjes gevlochten en daarvoor (of daarachter, we weten niet hoe prieelvogel het bedoeld heeft) ligt een verzameling blauwe dingen. Veel blauwe flesdoppen, een blauw bekertje, een pen, lege blauwe mentoszakjes, alles is bruikbaar op voorwaarde dat het blauw is. Hebben andere prieelvogelsoorten keurig geordende prieeltje, dit prieeltje is vrij rommelig. Mogelijk is natuurlijk dat wij de ordening van prieelvogel niet doorzien en het in zijn ogen er zo keurig uitziet.

We genieten nog van een laatste mooie wandeling met vogeltjes voor ons voeten en pakken dan na het ontbijt in. Onderweg maken we een stop bij een heel ander type bos. Zijn we de laatste dagen steeds in het regenwoud geweest, nu zijn we in het droge bos en ook de warmte is terug. Zo midden op een hete dag, is het moeilijk vogelen in het droge bos, aangezien ook de vogeltjes vinden dat ze met de hitte maar een beetje rustig aan moeten doen. Bij een volgende stop zien we veel meer. We stoppen bij twee grote waterplassen boordevol zwarte zwanen, eenden, ganzen, aalscholvers en wat dies meer zij. Het is hier voorjaar en veel zwanen en eenden zitten dan ook net in de kleine kinderen. Voor wat kleur zorgt een prachtig papegaaitje dat we al eerder gezien hebben, maar dat ik nu voor het eerst echt goed zie.

In Brisbane zitten we weer in ons vertrouwde hotel, nu voor twee nachten. Dat is een vergissing. Vandaag is eigenlijk de laatste dag van de reis volgens de beschrijving, maar de terugvlucht is pas voor een dag later geboekt. Al bij het doornemen van de reisbeschrijving voor we boekten, hadden we geconstateerd dat er iets niet klopte. Ze zouden ernaar kijken. De keer daarna bleef het vriendelijke meisje aan de telefoon volhouden dat het door het tijdsverschil kwam, zodat we opgegeven hebben en afgewacht hebben wat er zou gebeuren. Inderdaad kwam er na geruime tijd een ‘update’ dat er een dag over was. Ze hadden daar een aardige invulling voor bedacht en zo werd de reis dus aangepast aan de te late terugreis.

Kwartellijster

We beginnen de extra dag in een droog bos waar we op jacht gaan naar de gevlekte kwartellijster. Een soort voor de liefhebber, want het is de enige kwartellijster – Australië heeft er meer – die niet in het binnenland leeft en die je hier kan vinden. Daarnaast is de vogel uitermate schuw, scharrelt laag over de grond en is uiterst moeilijk te spotten. Martin heeft al gewaarschuwd dat je blij mag zijn als je een flits ziet en niet hoeft te rekenen op een foto. Gezien de voorspelde moeilijkheidsgraad stellen wij onszelf vast in op een dag zonder kwartellijster. De echte vogelaars zien watertandend uit naar deze ‘must have’. We lopen door het bos waar het op een enkele kaketoe, kookaburra en varaan na erg rustig is. Van kwartellijster geen spoor.

We geven op en gaan 50 meter verderop nog even bij een hekje kijken waar kwartellijster twee dagen geleden gezien is. Hij zit er niet meer. We lopen al terug als Martin roept’: ‘Daar is hij’. Niet een flits, maar rustig als een duif op het pad wandelend. Alle vogelaars richten hun camera, Rik heeft hem goed in beeld en dan verdwijnt kwartellijster achter de grote, brede rug van Nederlandse reisleider,die zo graag een foto wil dat hij niet meer oplet op anderen. Als Rik weer zicht heeft, is kwartellijster verdwenen. Als we stevig staan te grommen over het gebeuren, realiseert kwartellijster zich kennelijk wat er is misgegaan, komt terug en paradeert nog trots over het pad. Nu kan Rik toch nog een foto nemen. Met dank aan de vriendelijke kwartellijster die heel slim is om achter een hek te verschijnen. Kan niemand hem opjagen voor een nog betere foto.

Boeboekuil en watervogels

Bij een soort mix van een recreatiepark en een natuurcentrum stoppen we opnieuw. Ze hebben daar een heel paneel over de koala en waarom je die moet beschermen en wat de bedreigingen voor koala’s zijn. Maar wij zijn hier voor een grote uil – de grote boeboekuil – die net zo groot is als onze oehoe. Een gids van het centrum loopt mee om te wijzen waar we de uil moeten zoeken. Normaal ziet hij hem ‘s morgens, maar vandaag heeft hij hem nog niet gezien. Ze zitten overdag in een boom, blijven daar de hele dag zitten, maar na de jacht ‘s nachts kiezen ze een andere plek voor de dag. We speuren overal, maar uiteraard is er maar een die de uil kan vinden: de Belg van Natuurpunt. Hij ziet het paartje zitten, Een van de twee volledig in zicht, de ander een metertje lager. Ze zijn zo mooi, echt een cadeautje om die zo te kunnen bewonderen.

Boeboekuil in de omgeving van Brisbane, Australië

Boeboekuil in de omgeving van Brisbane

Na de lunch is het tijd voor de watervogels die we in verschillende gebieden zoeken, onder meer in een speciaal daarvoor aangelegd rustgebied bij de haven waar de (trek)vogels bij hoog water een plek hebben. Vooral de laatste groep pelikanen is leuk. Ze staan met z’n allen bij de kust ons aan te kijken. Wij staan bij twee tafels waar de vis schoongemaakt wordt en de pelikanen weten maar al te goed hoe ze zonder al te hard te werken aan een maaltje visafval kunnen komen.

Met de bus naar Hervey Bay

De laatste avond met de groep eten we in de stad, dicht bij de rivier. Na het eten lopen we met Martin mee terug en het valt op dat het langs de rivier ontzettend druk is met mensen die over het water staren. Wat blijkt: vanavond is er een lichtshow boven het water die net begint als wij bij de rivier zijn. Het is een show met verlichte drones die samen in prachtige kleuren figuren vormen en als sneeuw voor de zon even later verdwenen zijn. De clou van het verhaal missen we, maar de vormen zijn zo mooi en kleurig. Als Martin de vogel wil fotograferen, is die net verdwenen als hij afdrukt. Net een echte vogel. Een mooi extraatje in Brisbane.

Drone show in Brisbane, Australië

Drone show in Brisbane

Thuis moeten we nog ompakken voor onze wandeltocht op Fraser Island, we laten een deel van de bagage achter in Brisbane. Als we daarmee klaar zijn, wacht mij nog een klus. Rik heeft een abonnement op kapotte kleren tijdens een reis. Nu heeft hij nieuwe broeken meegenomen, zodat ze niet de eerste week meteen kapot gaan. Vandaag is het toch gelukt om een scheur in een nieuwe broek te krijgen. Verstelwerk dus.

Vandaag nemen we afscheid van de groep waarmee we dit eerste traject gereisd hebben. We staan weer om half zeven bij het ontbijt, want zij gaan nog vogelen tot ze naar de luchthaven moeten en zetten ons af bij het busstation voor onze bus van half negen naar Hervey Bay. In Hervey Bay blijven we twee nachten. Daarna varen we met de ferry over naar Fraser Island voor een achtdaagse wandeltocht over het eiland. Tijdens het ontbijt blijkt er iets akeligs gebeurd te zijn. Twee deelnemers kwamen er gisteren achter dat ze hun paspoorten kwijt zijn. Niet heel fijn, zeker niet als je je klaarmaakt om naar huis te vliegen. Ze weten wel waar het gebeurd is, want op een dijkje aan zee, was het tasje open en lag de inhoud verspreid in het hoge gras. In paniek hebben ze toen alles in het tasje geduwd, maar kennelijk de paspoorten over het hoofd gezien. We waren er aan het eind van de middag, het hek gaat ‘s nachts dicht, dus grote kans dat ze nog te vinden zijn. Martin racet met het busje naar de plek terug en gedrieën klimmen ze over het hek naar het verre stuk waar ze zouden moeten liggen. Wonder boven wonder liggen ze er nog. Heel erge mazzel, maar wat zullen ze een slechte nacht gehad hebben. Door de paspoorten wordt het vertrek uitgesteld en daarmee te laat voor onze bus. Gelukkig kunnen we lopend door een parkje en dan is het busstation niet ver.

De busrit van zeven uur naar Hervey Bay verloopt strikt volgens plan met twee vriendelijke dames als chauffeur en heel veel piepkuikens die in- en uitstappen bij de strandplaatsen waar ze al opgewacht worden door het busje van het hostel waar ze met z’n allen heengaan. De moederlijke buschauffeur waarschuwt ze dat ze niets moeten vergeten, geen telefoons, geen opladers en geen rugzakjes en dat ze vooral goed moeten insmeren voor de zon. Een jong mannetjeskuiken komt weer terug de bus in. Als de chauffeur vraagt wat hij vergeten is, antwoordt hij’: ‘bijna alles’. Dat is waar. Hij kwam met lege handen binnen en vertrekt met rugzakje, telefoon en koptelefoon. Je kan maar iets laten liggen.

Nieuwe wandelschoenen

In Hervey Bay gaan we als eerste op zoek naar Mister Minit. Waarom? Anderhalve week geleden zag ik dat de zool van mijn wandelschoen aan de voorkant los zat. Niet een groot stuk, maar kleine scheurtjes kunnen groot worden en schoenen met een losse zool zijn toch minder bij een wandel-tocht. We hebben vooraf met Mister Minit gemaild, dus hij weet dat we komen en krap in de tijd zitten. Rik gaat op zoek en parkeert mij met de bagage Het is lastig zoeken, maar uiteindelijk is de schoenmaker gevonden. Hij bekijkt de schoen, trekt tot mijn grote angst aan de scheur om te kijken wat er nog meer los zit. Hij kan hem repareren, en dan kan ik hem morgen ophalen. Maar daar is het probleem. Mister Minit gaat morgen om vier uur naar huis en wij komen morgen volgens planning om haf vier op een heel ander punt terug van een walvistocht. Dat gaan we nooit redden en wandelen met één wandelschoen is nog een stuk minder dan met een kapotte. We proberen nog of er na vier uur iets te regelen valt, maar dat lukt niet. Goede raad is duur. Een vriendelijke dame, ook klant van Minster Minit, vraagt of we bekend zijn in de buurt. Niet echt, nee. Zij verwijst ons naar een pas geopende grote zaak die ook het soort schoenen verkoopt dat wij nodig hebben en die nu forse kortingen geeft. Het is wel een stukje lopen, dus misschien moeten we een taxi nemen.

We gaan – met alle zware bagage – de aangewezen richting op, kunnen eigenlijk nergens lopen, want alles is ingericht op auto’s en komen ook geen sterveling tegen om naar de Anaconda (zo heet de winkel) te vragen. We sjouwen en sjouwen, zien veel grote complexen, maar waar is Anaconda? Uiteindelijk stapt een man uit een geparkeerde auto en die vragen we naar de winkel. Hij wijst waar we heen moeten en dan zien we het bord op het gebouw. Via de parkeergarage gaan we naar binnen, mensen zonder auto bestaan hier niet. Anaconda lijkt in eerste instantie een soort Action winkel met goedkope troep, maar Rik ziet opeens een stellage met wandelschoenen. Het is nogal ongeregeld qua maten en modellen, maar na vier paar vist Rik een paar uit de stelling dat heel aardig lijkt. Ze zitten goed, lopen in de winkel lekker, maar voor wandelschoenen is dat een erg korte test. We besluiten de gok te nemen en met een grote tas verlaten we de Anaconda. Nog nooit in vijf minuten een paar wandelschoenen gekocht.

Nu moeten we het volgende probleem oplossen: de 5,5 km tussen het busstation en ons adres overbruggen. Bij het busstation leek wel een bus te zijn die de goede kant opging, maar of dat echt zo is? Bovendien zijn we inmiddels ver van het busstation, is het al redelijk laat en gaat de onzekere bus maar eens per uur. Na al het gesjouw hebben we wel zin in snel vervoer naar ons hotel. We willen wel een taxi nemen, maar die zijn hier niet te bekennen, iedereen komt met zijn eigen auto. We hebben in ons hotel volgens de beschrijving een ingerichte keuken, en terwijl Rik bij de Aldi eten koopt, wacht ik op een bankje samen met een oude heer. We knopen een praatje aan. Zijn voorvaderen komen uit Engeland en Nederland, dat schept een band. Hij blijkt ook in TorquaiYte wonen waar ons hotel is. ‘Tja,’ zegt jij: ‘Ik heb maar een kleine auto. Dat past nooit met alle boodschappen en bagage’. Hij overlegt met zijn vrouw, die hem even later roept. Ze houdt kennelijk van winkelen, want ze draagt hem op eerst ons te brengen en dan haar met de boodschappen op te halen. Zo heeft zij meer tijd voor de boodschappen en past het wel. Zo worden we door een volstrekt onbekende zomaar naar ons hotel gereden. Zo verschrikkelijk aardig.

Bij het hotel komen we aan bij een dichte receptie met een telefoonnummer. Het nummer geeft antwoord, draagt ons op een 1 in te toetsen en daarna gebeurt er niets meer. We willen echt graag de spullen nu neer kunnen zetten op de kamer. Ik ga in het aangrenzende restaurant om hulp vragen. De eigenaar lacht en zegt dat de manager hem net belt. Hij loopt mee, toetsT de code van een kastje in en overhandigt ons een envelop met sleutels. Eindelijk binnen. Ons appartement is wat overdreven met zitkamer, keuken met magnetron, kookplaat en afwasmachine, badkamer met wasmachine en droger en afzonderlijke slaapkamer. We verdwalen hier nog en mochten we willen kunnen we stofzuigen en ramen lappen.

Spectaculaire walvistour

Al reizen we niet meer met de vogelaars, we kunnen toch niet uitslapen. We worden om 7 uur bij het hotel opgepikt voor een walvistour. Aan boord van een boot voor zo’n 30-40 mensen varen we de haven uit voor een volle dag walvissen spotten. We hebben een uitstekende gids die al aan het begin een goede uitleg geeft. We kunnen hier de zuidelijke bultruggen zien, die in de zomer rond Antarctica zo’n ton krill per dag eten en hier in de winter komen om hun jongen te baren en te paren. Ze zijn hier van mei tot november. Bultruggen zijn ongeveer 13-14 meter en wegen 25.000 – 40.000 kg, de jongen wegen bij de geboorte 1000 kg en groeien in het begin 45-50 kg per dag. De gids geeft daarna nog wat biologieles over walvissen en zoogdieren, waar walvissen nu eenmaal toe behoren.

Al gauw zien we de eerste bultruggen zwemmen. Ze zwemmen kalmpjes en meer dan een rug en een rugvin zien we aanvankelijk niet. Wel zien we opmerkelijk veel vrouwtjes met jongen die wel veel kleiner zijn dan hun moeder, maar toch al heel behoorlijk. De gids heeft gezegd dat we niet alleen walvissen willen zien, maar dat we de walvis op de goede plek en op de goede manier willen zien. En of dat gebeurt! We varen naar een ‘goede plek’ en zien wel vijf walvissen tegelijk. Twee mannen zwemmen in helder water vlak bij de boot en je kan ze super zien. Andere bultruggen steken hun lange borstvin – de relatief langste borstvin van alle walvissen en daaraan goed te herkennen – recht omhoog om hem daarna met een harde klap op het water te slaan. Ze doen dat niet een keer, maar wel tien tot vijftien keer achter elkaar. Dat is een algemeen communicatiemiddel dat van alles kan betekenen en waarvan alleen de bultruggen zelf precies weten wat ze er deze keer mee bedoelen.

Opeens zien we in de verte eentje hoog uit het water komen om daarna met een enorme plons in een grote waterfontein weer terug te klappen. Later zien we dat ook dichtbij. Er zijn drie mannen, de een slaat met de borstvin een ander springt en later zien we nog een aantal keren bultruggen die hun achterlijf uit het water tillen en hun staart met kracht op het water laten klappen. Ze komen zo dichtbij dat we kunnen horen dat ze adem halen en borrelend de lucht laten ontsnappen en we zien prachtig de grote waterfonteinen bij de twee luchtgaten boven op de kop. Er is zoveel tegelijk dat je soms net de verkeerde kant opkijkt als er iets spectaculairs gebeurt. We blijven maar bultruggen zien hebben geen idee van het aantal, maar spectaculair is het, temeer daar ze alles laten zien wat ze in huis hebben. De gids hangt ook een hydrofoon (onderwater microfoon) in het water en dan horen we de bultruggen zingen. Alleen de mannen zingen, maar ze doen het zowel in het paarseizoen als daarna, dus ook nu is de reden van het zingen voor ons een geheim en voor de bultruggen een uitgemaakte zaak. Ook op iets kleinere schaal zijn er leuke dingen. Tot twee keer toe zien we een zeeschildpad met zijn kopje boven water zwemmen en we spotten wat snel vliegende zeevogels, die grotendeels naamloos blijven nu we geen deskundigen meer hebben.

Springende bultrug bij Hervey Bay, Australië

Bultrug bij Hervey Bay

Zelfs een heel lange dag walvis kijken raakt op, maar op de terugtocht krijgen we nog een geweldig toetje terwijl we al zoveel hebben gezien. We zien een moeder met jong, maar het jong wil laten zien dat hij ook kan springen en blijft zeker een half uur hoog uit het water opspringen. Zo zie je het normaal alleen op reclamefoto’s voor walvistours. Het werkt aanstekelijk, want af en toe springt moeders ook mee en hebben we vlak voor ons neus een duosprong van moeder en kind. Te fantastisch voor woorden. Het fijne is dat de gids daar alle tijd voor neemt en alleen maar zegt: ‘We komen weer niet op tijd terug’. Ook hijzelf heeft er echt plezier in. We komen een uur te laat aan. Het is echt een goede tocht. Ze ‘jagen’ geen enkele keer op de bultrug. We varen langzaam en wachten tot de dieren dichtbij komen. Zo hoort zo’n tocht te zijn en zo kan je echt genieten. Dit is de beste walvistocht ooit. Zoveel actie hebben we nooit van dichtbij meegemaakt.

Fraser Island

De tocht op Fraser Island met dagwandelingen is georganiseerd door een Australische organisatie, Auswalk, die ons voorziet van routebeschrijvingen, een kaart en een App die precies aangeeft hoe de route loopt en boos piept als je niet luistert en niet meer op de route bent. Zij verschaffen ook de zogenaamde Epirb voor noodgevallen. De Epirb is een apparaatje dat we op Fraser Island bij ons moeten dragen. In geval van nood kan je daarmee een signaal uitzenden ook als er geen bereik is. Hulptroepen weten je dan aan de hand van de doorgegeven coördinaten te vinden. We logeren op twee verschillende plekken en Auswalk zorgt ervoor dat de grote bagage op de juiste plek komt.

Fraser Island, tegenwoordig K'gari geheten, is het grootste zandeiland ter wereld. Het ligt voor de Australische oostkust en hoort bij de staat Queensland. Het eiland is 122 km lang en 5 tot 25 km breed. Het landschap is zeer afwisselend: mangrovebossen, tropische regenwouden, eucalyptusbossen en duinlandschap en er zijn veel meren met kristalhelder water. De wegen zijn onverhard en vanwege het mulle zand alleen begaanbaar voor auto's met vierwielaandrijving. Het strand dient als snelweg en op een plek zelfs als landingsbaan voor kleine vliegtuigen. Sinds 1992 staat het eiland op de UNESCO Werelderfgoedlijst. In 1836 woonde een aantal overlevenden van een op de klippen gelopen schip een poosje op het eiland. Een van hen was Eliza Fraser, vrouw van de kapitein. Naar haar is het eiland door de Europeanen genoemd. In juni 2023 is de naam officieel terug veranderd in de oorspronkelijke Aboriginal naam K’gari wat ‘paradijs’ betekent.

De flora varieert van heide aan de kust tot subtropisch regenwoud landinwaarts. K'gari is de enige plaats ter wereld waar regenwoud hoger dan 200 meter boven zeeniveau op zandduinen groeit. Er zijn meer dan 350 vogelsoorten gevonden – die vinden wij zonder gidsen niet – en het eiland wordt veel door trekvogels gebruikt als rustplaats op hun reis tussen Australië en Siberië. Er leven maar weinig zoogdieren op het eiland. De meest bekende is de dingo, waarvan op Fraser Island de zuiverste vorm voorkomt. Het zand dat K'gari heeft gevormd, en dat nog steeds doet, is afkomstig uit de plateaus in New South Wales. Drie rotsen van vulkanische oorsprong fungeerden als afzettingsbasis en vergaarden het zand. Sinds het einde van de laatste ijstijd, tussen 10.000 en 20.000 jaar geleden, is het gebied door de stijging van de zeespiegel losgeraakt van het vasteland. De aanhoudende zuidoostelijke winden bliezen het zand op tot hoge duinen. Sommige duinen hebben een hoogte van meer dan 240 meter bereikt en behoren tot de hoogste duinen ter wereld.

Eerste wandeldag eindigt in ziekenhuis

Ook onze tweede ochtend in Hervey Bay moeten we vroeg op voor de overtocht naar Fraser Island en tegelijk onze eerste wandeldag. Een dag die we niet snel zullen vergeten. Het ontbijt wordt geserveerd in een zaak een km verderop en we moeten vijf voor half acht klaar staan voor de bus die ons naar de ferry brengt. Die is er stipt op tijd en de chauffeur neemt ons al het werk uit handen. Hij regelt de tickets en haalt de eerder genoemde Epirb op. Ook de lunch gaat hij regelen, al moeten ze die als hij ernaar vraagt nog klaarmaken. Op Fraser Island worden wij afgezet bij Lake McKenzie waar onze wandeling begint, de bagage gaat door naar Eurong, het resort aan de oostkust waar wij naartoe lopen. De eerste dag lopen we dus met iets meer dan we de andere dagen van plan zijn. Riks telelens kan wel op de kamer blijven, maar niet in de grote rugzak, dus die zit in de dagrugzak. Bovendien gaat er vaak iets mis met de lunch, dus voor de zekerheid hebben we wat eten en veel water (samen 4,5 liter en een flesje fris) bij ons. Als we eenmaal op de boot zitten, komt de aardige chauffeur terug met ons lunchpakket: een grote papieren tas met nog eens 2,5 liter water, twee flesjes appelsap, een gebaksdoos met vier enorme muffins, twee repen chocolade, twee mueslirepen, twee appels en twee warme pakketjes die dicht zijn. Hoe gaan we dat in hemelsnaam meenemen in de al te volle rugzakjes? Rik propt de gebaksdoos en de appels in de grote rugzak, we drinken vast een flesje water leeg. Laten iets aan water achter en proppen de rest nog in de dagrugzakjes.

Op het eiland worden we doorverwezen naar een bus die volstroomt met dagjesmensen voor de Fraser Island tour. We hebben een praatgrage chauffeur die bijna zonder adem te halen door een microfoon met galm het ene na het andere feit over Fraser Island opsomt. Na een kwartier ben je al helemaal murw. We stoppen bij Lake McKenzie, een prachtig meer, waar de dagjesmensen een uur hebben en wij de wandeling starten. Rik zet de App van Auswalk aan die ons – zonder internet hulp – aan zou moeten geven hoe we moeten lopen en ons moet waarschuwen als we van de route afwijken. Een veilig gevoel. Helaas doet de App niets. Na talloze pogingen geven we op en volgen de wandelinstructies. We lopen door een prachtig bos met enorme woudreuzen en zijn gelijk alle toeristen kwijt Het is er heerlijk. Na een tijdje komen we bij een volgend meer met ongelofelijk helder water. We lezen opnieuw de instructie van de App, maar alles is gedaan zoals het moest. Ook de probleemoplosser helpt ons geen stap verder. Rik stelt voor de App maar een keer uit en aan te zetten. Dat werkt. Opeens komt de App tot leven en laat zien waar we zijn en waar we heen moeten. Heel fijn.

Bos op Fraser Island, Australië

Eerste wandeldag op Fraser Island

We hebben een prachtige wandeling, zien onderweg heel veel, maar schieten niet erg op. In het wandelboekje staan richttijden maar die halen we bij lange na niet. Om niet in donker aan te komen, moeten we het laatste stuk zelfs doorlopen. Maar de tocht blijft mooi. Tot vijf km voor het eind. Rik valt over niets, probeert zich vast te grijpen aan een varen die meteen breekt en komt op zijn arm terecht. Het is meteen duidelijk dat het mis is met de arm. Tot aan de elleboog gaat het goed, maar bovenarm en schouder willen niet meer. Het doet niet extreem pijn als Rik schouder en arm maar stil houdt. We lopen langzaam verder. Rik met een hangende arm en bang nogmaals te vallen nu hij tamelijk instabiel is, ik met Riks rugzak achter en de mijne voor en allebei flink geschrokken. De tocht is helemaal niet leuk meer, terwijl de kilometers extra lang zijn. We zijn dolblij als we eindelijk het resort bereiken.

Daar vragen we naar een dokter en ze gaan meteen de ambulance bellen. Tijdens het wachten voelt Rik aan de schouder en weet eigenlijk wel zeker dat zijn arm uit de kom is. Het wachten duurt lang. Met alle rulle zandwegen gaat niets hier snel. Na een uur komt de ambulance Maar, vlak voordat Steve er met de ambulance is, gebeurt er iets wonderlijks. De arm schiet terug op zijn plek en Rik knapt zichtbaar op. Steve is er blij mee, maar wil toch even testen of alles nu goed is. Bij de eerste beste verkeerde beweging plopt de arm opnieuw uit de kom, wat heel erg pijnlijk is en nog pijnlijker wordt als Steve de arm weer op zijn plek probeert te krijgen. Als de arm tot drie keer toe opnieuw uit de kom is geschoten vindt Steve dat we toch naar het ziekenhuis aan de vaste wal moeten.

Ik hol naar de kamer waar de aardige manager inmiddels geholpen heeft om de rugzakken te bren-gen, gris wat kleren en toiletspullen bij elkaar en dan gaan we op weg met de ambulance hotsend door het zand. De arm zit weer in de kom, dus Rik is er redelijk aan toe. Wat ons erg ongerust maakt, is dat Steve denkt bijna zeker te weten dat de arm gebroken is, omdat hij anders niet zo makkelijk in en uit de kom kan. En voegt hij eraan toe, dat zou een operatie kunnen betekenen. Boven ons hoofd vormen zich gitzwarte wolken. Na een uur zijn we bij de jetty waar we moeten wachten op de speciaal voor ons uitgerukte Marine Rescue boot. Die komt na een half uur en Steve draagt ons over aan vier vriendelijke mannen die Rik insnoeren op een brancard. Een verpleegkundige houdt voortdurend in de gaten hoe Rik er aan toe is. Na een overtocht van ruim drie kwartier in het stikdonker komen we aan bij de haven. Daar moeten we opnieuw wachten tot de ambulance er is. Die neemt Rik over op een nieuwe brancard. De ambulancebroeder is eveneens reuze aardig, vraagt wat er gebeurd is en voelt aan de arm en schouder. Hij durft er niets over te zeggen. Het kan gebroken zijn, het kan niet gebroken zijn. We moeten de röntgenfoto's afwachten.

In het ziekenhuis worden we naar de spoedeisende hulp gebracht en na wat formaliteiten zijn we naar ons idee met voorrang aan de beurt. De foto's worden snel gemaakt en de röntgenassistent zegt tegen Rik dat hij geen breuk ziet, dat er misschien een CT-scan gemaakt moet worden, maar dat hij eigenlijk niets mag zeggen omdat hij geen arts is. Na korte tijd komt er een zeer kundige en uiterst aardige Indiase arts bij Rik. Die vertelt tot onze grote opluchting dat er niets gebroken is. Rik moet opnieuw vertellen hoe en wat er gebeurd is. De arts legt uit dat door de val en het uit de kom schieten de banden en pezen zo opgerekt zijn dat ze de arm niet meer goed op de plaats houden. De zaak moet nu gefixeerd worden en dan moet het met twee, drie weken weer min of meer in orde zijn. Maar, waarschuwt hij, het zal een zwakke plek blijven. We mogen van hem wandelen, maar wel kalm aan doen, geen 20 km en Rik mag geen rugzakje dragen. Ik ken Rik, dus ik vraag of hij heel duidelijk wil zeggen dat Rik niets mag dragen op de schouder. Rik is daar wel van overtuigd trouwens.

Het is inmiddels over elven, we kunnen met geen mogelijkheid terug naar de kamer op het eiland, hebben niets gegeten en geen bed in Hervey Bay. Het ziekenhuis is zo aardig en behulpzaam. We krijgen brood en yoghurt en een familiekamer – gesubsidieerd door de Rotary club – in het ziekenhuis. Eenmaal op de kamer zijn we bekaf, maar zo opgelucht dat er niets gebroken is en overdonderd door de vriendelijkheid en behulpzaamheid van iedereen.

Terug naar Fraser Island

Na een nachtje in het familiehuis van het ziekenhuis, moeten we zien te regelen dat we terugkomen naar ons hotel aan de andere kant van Fraser Island. Gisteren heeft een aardige verpleegkundige al meegekeken hoe we bij de ferry komen en hoe we de ferry regelen, maar grootste probleem is het vervoer op Fraser Island. We bellen met de taxichauffeur die ons vandaag eigenlijk zou wegbrengen en ophalen en met het hotel. De taxichauffeur, Mark, krijgen we niet te pakken, maar het hotel is uiterst behulpzaam. We geven aan dat we van plan zijn de ferry van half elf te nemen en ze beloven uit te zoeken wat er geregeld kan worden. Na korte tijd krijgen we antwoord. We gaan met de ferry van drie uur en worden dan opgepikt op het eiland om naar het hotel terug te gaan. We worden opgepikt bij het ziekenhuis en hoeven verder niets te regelen. Dat is heel aardig. Kort daarna belt receptie opnieuw. Als we snel zijn, kunnen we nu opgehaald worden, kunnen we de ferry van half elf halen en dan de dag aan de westkant van het eiland doorbrengen tot we ‘s middags (15.45 uur) teruggebracht worden naar het hotel in Eurong. Klinkt veel beter dan een dagje rond het ziekenhuis. Het busje levert ons af bij de ferry, de chauffeur praat kort met de regelaar op de boot en dan mogen wij als eersten, nog voor de auto’s waar alle andere voetgangers op moeten wachten, aan boord. Op het eiland melden we ons bij de receptie. Dit is het grootste van de twee resorts op het eiland en heeft een hoog Sporthuis Centrum karakter. We stallen de dagrugzakjes en lopen wat rond door een mooie tuin en wachten daarna op het vervoer. Heel veel kunnen we zonder de spullen – zonnepetjes, fototoestel, e-book, laptopje – die in Eurong liggen niet doen. Het wordt een hangdag.

Om kwart voor vier komt er niemand, om vijf voor vier gaan we bellen, want we willen na alle span-nende gebeurtenissen en de hangdag heel graag weg en naar de kamer. Er is sprake van een vergissing. We worden pas om half vijf opgehaald en moeten ons niet bij de receptie opstellen maar bij de ferry. Niet handig dat ze dat niet doorgegeven hadden, maar we wachten opnieuw. Om tien over half vijf is er ook nog niemand. Rik belt maar weer eens. Receptie gaat op onderzoek uit en zal terugbellen. Ongerust zien we iedereen vertrekken terwijl wij maar staan te wachten. En dan eindelijk zien we manager Jason uit Eurong aankomen. Wat ben ik blij om die man te zien. We vertrekken nog niet meteen, want de nieuwe kok moet ook mee en die is zijn koffer kwijt. Die is ‘ergens op het eiland’ in een bus. Vlak voor we bij het grote resort wegrijden, klopt iemand op het raam: de koffer is er. Om kwart over zes zijn we eindelijk ‘thuis’ en kunnen we naar de kamer die Rik nog niet eens gezien heeft.

We hebben tijdens het wachten geprobeerd vervoer voor morgen te regelen. Afspraak is dat je aan het eind van je wandeldag met de taxichauffeur de ophaaltijd voor de volgende dag bepaalt. Wat we ook proberen, we krijgen Mark, de taxichauffeur, niet te pakken. Uiteindelijk hebben we contact met ene Oliver. Die brengt geen goed nieuws. De auto is stuk en Mark is nu aan de vaste wal om die te laten maken. Of het lukt om ons morgen ergens heen te brengen is maar de vraag. Huh? Als Rik niet kan lopen, fiat, maar als we wel kunnen lopen, willen we toch echt wel het vervoer dat afgesproken is. Later belt Mark. Hij had niet verwacht dat we nog gebruik zouden maken van de taxi, omdat we de taxi voor maandag hadden afgezegd vanwege het ziekenhuis. Bovendien is de auto stuk. Maar hij gaat kijken of hij iets kan doen. Uiteindelijk regelt hij dat iemand ons morgen naar een plek brengt waar we naar Lake Wabby kunnen wandelen en vanaf het meer lopen we dan terug over het strand. Fijn dat het toch geregeld is.

Na een goede, lange nacht in onze eigen kamer met alle spullen, zijn we weer helemaal boven Jan. En alhoewel we de wandelingen aan moeten passen, Rik maar beperkt kan fotograferen en ik de pakezel van ons tweeën ben, hebben we een fantastische week. Het is natuurlijk niet verstandig om met spiksplinternieuwe wandelschoenen aan een wandeltocht te beginnen. Toch start ik op mijn nieuwe Anaconda’s. En mag de eerste wandeldag die eindigt in het ziekenhuis niet de beste zijn, de voeten klagen nergens over. Heel de wandeltocht blijft er een goede klik tussen mijn voeten en de Anaconda’s bestaan. Een klein wonder. De rest van onze Fraser Island avonturen horen jullie in de volgende brief. Deze is al veel te lang, maar om af te sluiten met een ziekenhuis is ook niet gezellig.

naar volgende pagina:
Australië 2025 rondzendbrief 4