[Verzonden op 3 november 2025 vanuit Hobart]
Dandenong Ranges
Brief nummer vijf eindigt met de terugkomst in Melbourne na de Great Ocean Walk. Na een nachtje laten we een regenachtig Melbourne achter ons om met metro en bus naar de Dandenong Ranges (meestal aangeduid als de Dandenongs) te reizen. De Dandenongs zijn een lage bergketen ongeveer 35-50 km ten oosten van Melbourne. Het zijn resten van dode vulkanen die zo’n 370 miljoen jaar geleden voor het laatst actief waren. Nu vind je er glooiende heuvels, maar ook steile en verweerde valleien doorsneden door diep uitgesneden stroompjes. Mount Dandenong is met zijn 633 meter de hoogste berg. Beschutte plekken zijn bedekt met dik gematigd regenwoud bestaande uit hoge eucalyptusbomen (Eucalyptus regnans, Mountain Ash) met een dichte ondergroei van varens en boomvarens. Op de droge en meer open hellingen vind je droogte resistente eucalyptussoorten. Aanvankelijk werd het gebied gebruikt voor houtkap, maar later werd het een populaire bestemming voor daguitstapjes. Al vanaf eind 19e eeuw is het gebied beschermd en sinds 1987 heeft het de status van National Park. Het is een rustig en vriendelijk gebied met veel wandelmogelijkheden.
Ons hotel blijkt tegenover de bushalte te liggen. Het is een nagebouwd 19e-eeuws landhuis en wij hebben de King Arthur Suite. Een mooie kamer met een houtkachel – waar we niets mee kunnen – schilderijen met ridderthema’s, kussentjes met koninklijke wapens, natuurlijk het zwaard van King Arthur en een klein riddertje met een lampje bij de deur. Aan het plafond hangt een kroonluchter en in de kamer staat een bubbelbad. Zou Arthur destijds ook een bubbelbad gehad hebben?
We zitten hier vijf dagen en logeren in het plaatsje Olinda dat midden in het gebied ligt en er wel aardig uitzag. Het dorp heeft veel eetgelegenheden, maar niet voor ‘s avonds. We hebben ons al eerder verbaasd over de openingstijden van de horeca hier. Tot een uur of twee kan je overal terecht en je buik vol eten, maar tussen twee en vier gaat vrijwel alles dicht. Restaurants voor het avondeten zijn behoorlijk schaars. Verder zijn er aardig wat winkels, maar weinig waar je wat aan hebt. Er is een winkel met alleen maar thee, theepotjes, theebusjes, theemokken en alles wat maar enigszins met thee te maken heeft. Het wemelt van de ‘vintage’ winkels die het woord ‘vintage’ gebruiken, omdat je moeilijk zelf kan zeggen dat je onbruikbare, oude troep verkoopt. Dan zijn er nog een uitgebreide hoedenzaak die tevens lampen in de vorm van honden, paddestoelen en kaketoes verkoopt, een ‘lolliewinkel’ die snoep verkoopt waarvan alleen al van de kleur het glazuur van je tanden springt, een dure kledingwinkel, een algemene souvenirwinkel en een apotheek.
Omdat we hier lang zitten en een magnetron en koelkast hebben, willen we hier graag wat eten en drinken inslaan, maar daar doen ze hier niet aan. Bij het enige restaurant dat ‘s avonds open is, vragen we naar een supermarkt. Die zit hier niet, maar wel in het volgende dorp, 1 km verderop. Hij wijst ons de weg. Het blijkt dat wij in Olinda Village zitten, terwijl de supermarkt in Upper Olinda zit. De supermarkt heeft opmerkelijk veel en alles wat we nodig hebben. Met onze boodschappen gaan we weer heuvelopwaarts naar ons eigen Olinda.
Na een nacht in de ridderkamer beginnen we met prima weer aan een niet al te lange wandeling. We lopen deels door hoog opgaand eucalyptusbos met hoge boomvarens, deels door meer open gebied. De ondergroei doet ons denken aan Engeland en is voorjaarsachtig. We lopen in een uienwalm door de overal wit bloeiende driekantige look (familie van ui en knoklook). In het overvloedig witte tapijt bloeien blauwe wilde hyacinten en vergeet-me nietjes.
De middag is gereserveerd oor een tweede bezoek aan de fysiotherapeut vanwege Riks schouder. Riley, de fysio, maakt een zeer kundige indruk, masseert de schouder en geeft Rik nog meer huiswerk mee dan hij al had. Hij ziet geen zorgelijke ontwikkelingen, dus Rik gaat dapper door met oefenen. Het voelt wel fijn dat er nu weer even iemand met verstand van zaken meegekeken heeft. De rugzak en telelens blijven voorlopig nog verboden gebied. Heel jammer voor de telelens, want juist daarmee kan Rik de vogels zo mooi vangen. Maar, we zullen het ermee moeten doen.
De volgende dag laat het weer zich van de grimmige kant zien. We hadden een wandeling van 15 km gepland, maar als we opstaan komt de regen met bakken uit de lucht. Geen weer om met wandelen te beginnen. De regen hoort in de loop van de ochtend te stoppen, dus we beginnen met koffie en boek. Aan het eind van de ochtend klaart het op, maar het ziet er weinig betrouwbaar uit. Bovendien geldt voor het hele gebied een weeralarm vanwege een verwachte zware storm. We laten de wandeling voor wat het is en besluiten naar de botanische tuin te gaan.
De botanische tuin is gigantisch groot. Hier en daar staan bordjes dat je een half uur of een uur voor sluitingstijd een pad niet op mag, omdat je anders niet voor sluitingstijd de uitgang haalt. Hij ligt op een berghelling en is zo mooi aangelegd en prachtig onderhouden, we zijn er uren zoet. Onderweg worden we aangesproken door een medewerker die wil weten waar we logeren. Er komt namelijk een storm aan met windstoten van 110 km per uur. Ook later in het winkeltje worden we gewaar-schuwd en zijn ze tevreden als blijkt dat we in Olinda zelf logeren. Als we terug naar huis lopen, zien we de hoge eucalyptus bomen vervaarlijk zwiepen en in het dorp zijn winkeliers bezig hun buitenspullen veilig te stellen. Wij zitten met de storm knus en veilig in onze King Arthur suite.
Na een dag met weinig activiteit vanwege regen en storm, is het boze weer over en kunnen we er weer op uit. Omdat het vast modderig en glad is na alle regen en er bomen omgevallen kunnen zijn, mijden we vandaag de heel smalle en steile paadjes en kiezen we voor bredere tracks of secundaire wegen. Wandelen hier is heerlijk. Het is een mooi en rustig natuurgebied met een overdaad aan blauw-rode rosella’s en meerdere soorten kaketoes. De kookaburra’s zijn hier zo tam en blijven vlak voor je op hun paaltje of in de boom zitten kijken. Ook andere vogels laten van zich horen en sommige laten zich ook zien.

Dandenong Ranges
Ons doel voor vandaag is de top in de Dandenong Ranges: Mount Dandenong op 633 meter. Goed, niet echt een berg waar je zuurstof bij nodig hebt, maar toch. De berg ligt op de grens van het gebied en we hebben ver uitzicht en kunnen zelfs de hoge torenflats en de Phillip baai van Melbourne zien. Via een andere route lopen we terug, waarbij we toch een keer op onze schreden terug moeten keren, omdat een vers gevallen boom het pad versperd. We kunnen nog over de stam en de takken klimmen, maar de dichte bladerkroon houdt de doorgang echt tegen.
Terug naar Melbourne
Na een laatste wandeling in de Dandenongs waarbij we nog extra genieten van de prachtige regen-woud hellingen vol boomvarens en enorme eucalyptusreuzen, nemen we bus 694 naar Belgrave en van daar af de trein naar Melbourne. We hebben drie minuten overstaptijd en in die tijd lukt het zelfs om onze Myki – een elektronisch trein- en buskaartje – op te laden voor de treinrit. Het blijkt dat we een negatief saldo hadden na de busrit terug, maar niemand wordt daar boos om. In Melbourne halen we de opgeslagen bagage weer op en begint het grote ompakken. Mijn kapotte wandelschoenen zitten danig in de weg. Te groot om in te pakken en ik kan geen vier wandelschoenen aan. Achterlaten is zonde, want ik denk dat ze best nog gemaakt kunnen worden.
Het hotel in Melbourne heeft maar een kleine ruimte om bagage op te slaan en wil niets opslaan voor langer dan de dag van aankomst of vertrek. Maar een paar schoenen is natuurlijk iets anders dan een koffer. Ik leg bij de receptie uit wat mijn probleem is en of ik heel misschien mijn kapotte schoenen op mag slaan tot we eind november weer in Melbourne terugkomen om naar huis te vliegen. De aardige jongen bij de receptie wil best meewerken en denkt dat het wel kan, maar moet met zijn baas overleggen. De baas is hier streng. De eerste keer moesten we hem zelfs uit zijn hoofd praten dat hij ons het tarief voor een dagkamer rekende omdat we al om half een op de kamer mochten. Het blijft dus nog even spannend, maar aardige receptionist belooft ons antwoord als we straks de deur uitgaan om te gaan eten. Dan zit er een andere man die we nog niet eerder gezien hebben. We vragen of hij op de hoogte is van het schoenprobleem. Hij weet van niets en we doen opnieuw ons verhaal. Hij durft ook niets te beloven, maar ik mag de schoenen afgeven; hij gaat kijken wat hij kan regelen, maar.. de baas is streng en van die mag het vast niet. Na het eten treffen we hem weer. Het schoenprobleem is opgelost. Charles, een medewerker van het hotel, woont in het hotel en hij bewaart ze voor ons op zijn kamer. Als we terugkomen eind november, moeten we maar even naar Charles vragen. Is dat nou niet aardig, dat ze met een moeilijke baas, zo hun best voor je doen. Ik ben heel opgelucht dat ik ze voor de rest van de reis kwijt ben en hoop dat Charles niet in de tussentijd een andere betrekking zoekt.
Ik heb jullie nog niet het mysterie van de man bij Fed Square verteld. Bij ons vorige bezoek aan Melbourne zagen we in het culturele centrum daar in een hoek met zitzakken een man zitten die aan het telefoneren was. Hij had een heel wasachtig gezicht en we dachten in eerste instantie dat het een pop was. Toen we dichterbij kwamen hoorden we hem door de telefoon praten en leek hij ook te bewegen, waardoor we niet echt van heel dichtbij naar hem durfden te staren. Een tijd later zat hij nog steeds te telefoneren. Hij was te wasachtig en zat er te lang om echt te zijn, maar praatte wel en zag er te menselijk uit om namaak te zijn. We kwamen er niet uit. Vandaag zijn we weer gaan kijken. Vorige week was er een festival en dat is nu voorbij. De man/pop was weg, maar de hele hoek met de zitzakken is ontruimd, ook alle zitzakken zijn weg. We denken nu toch dat de man een kunstobject op de zitzakken was, maar zeker zullen we het nooit weten, tenzij we de zitzakman op een andere expositie tegenkomen.
We blijven een volle dag in Melbourne en die vullen we goed. ‘s Morgens gaan we naar de Old Melbourne Goal, de oude gevangenis. Van het gigantische complex is maar een klein gedeelte over en een gang met drie etages met cellenblokken is nu ingericht als museum. In de gevangenis heerste in de 19e eeuw een afschuwelijk, uit Engeland overgenomen, streng regime. In de eerste cel zien we de hoofdkappen met enkel twee gaten voor de ogen die de gevangenen op kregen als ze niet in hun cel waren. Reden daarvan was dat gevangenen strikt geïsoleerd dienden te worden en elkaar dus niet mochten zien. Pas na heel lang kwamen ze erachter dat volstrekte isolatie niet leidt tot bezinning en zelfreflectie, maar tot ernstige psychische problemen. In de benedengang wordt verhaald over alle gehangenen – er dat zijn er heel veel geweest – van de gevangenis. Het levert een gemengd beeld op van echte zware misdadigers en moordenaars tot zeer twijfelachtige gevallen.
Rond 1890 verkeerde Melbourne in een ernstige economische crisis. Een van de opgehangen vrouwen was door armoe tot prostitutie gedwongen en zwanger geraakt. Door haar huilbaby kon ze haar werk niet doen en ten einde raad heeft ze haar zoontje verdronken. Ze is opgehangen wegens kindermoord. Een andere vrouw moest op haar dertiende trouwen met een veel oudere alcoholist die haar mishandelde. Uiteindelijk is de dronkaard vermoord gevonden en zij – omdat ze geen verdriet toonde en zich daarom niet vrouwelijk gedroeg – opgehangen. Een Aziaat die geen woord Engels sprak is ter dood veroordeeld, omdat zijn maat vermoord gevonden werd en hij het meest in aanmerking kwam. Hij schijnt nooit begrepen te hebben wat er met hem ging gebeuren. Daartegenover staat de wereldwijd bekende Kelly gang, een misdaadbende van het zuiverste water die er geen probleem in zag om wie dan ook om te leggen om geld binnen te krijgen of van tegenstanders af te komen. Gerechtelijke dwalingen kwamen eveneens voor. Pas na uitgebreid pluiswerk à la Peter R. de Vries is in 1990 een in 1922 opgehangen man gerehabiliteerd. Hij heeft er weinig aan gehad.

Melbourne Goal
De bovenverdieping gaat vooral in op de sociale aspecten van de tijd en de mensen die probeerden iets voor de armen te doen. Verder wordt er een overzicht gegeven van de beulen, bepaald geen brave en gezellige jongens, de strafmiddelen en de koffer met touw van de beul. Pas in 1975 is de doodstraf in Victoria officieel afgeschaft.
Pinguin Parade Phillip Island
‘s Middags stappen we in de bus voor een excursie naar Phillip Island dat met een brug aan het vasteland verbonden is. De organisatie adverteert met kleine groepen, maar heeft daar een ander idee van dan wij. In een grote bus met 31 man reizen we af. Hoofddoel van de excursie is de ‘pinguïn-parade’ op het eiland. Elke avond klimmen dwergpinguïns vanuit zee het strand op om in de grasduinen erachter hun nest op te zoeken voor een veilige overnachting. Maar voordat we daar heen gaan hebben we eerst nog een aantal andere uitstapjes. De eerste stop is bij een koala conservation centrum waar ze koala’s opvangen. Veel kleinschaliger dan het Lone Pine Koala Sanctuary maar eveneens voorzien van uitgebreide en goede informatie. Via een stop in het plaatsje Cowes en een rit langs de Nobbies met een prachtige kust, rijden we naar de ‘pinguïn parade’.
Tijdens onze vorige Australië reis 27 jaar geleden zijn we hier ook geweest en toen was het al een circus. Het gebouw is nog precies zoals we ons herinneren, alleen de mens in pinguïnpak die ons toen verwelkomde, is waarschijnlijk door een orka verslonden, hij is er niet meer. Voor ons gevoel zijn de platforms verder weg dan toen en wij zitten nu op een luxer platform waar de pinguïns vlak langs je lopen. Het is fantastisch. We moeten drie kwartier wachten maar dan komen de eerste pinguïns aangehobbeld. Ze lopen zonder enige aandacht aan ons te schenken, vlak langs het platform en klimmen vervolgens de duinen in op zoek naar hun nest. We zien steeds opnieuw grote groepen druk naar elkaar snaterend uit zee komen, het hele stuk over het rotsige strand waggelen waarbij ze regelmatig om stuiteren, om vanaf het paadje langs ons platform verder te lopen of de duinen in te klimmen. Het is een geweldig spektakel om zoveel pinguïns zo dichtbij langs te zien marcheren. Elke avond komen er tussen de 1.100 en 1.500 aan land.

Pinguin Parade op Phillip Island

Pinguin Parade op Phillip Island
Om half tien aanvaarden we de terugreis en om even na twaalf uur worden we vlakbij ons hotel afgezet door de bus. Zo laat maken we het nooit. Verbazingwekkend genoeg is het op straat in Melbourne nog zo druk alsof het spitsuur is. Met de bus staan we tijden in de file en de straat is bomvol publiek. Stromen mensen komen het station in of uit, van alles aan winkels, eet- en drinkgelegenheden is open. Overal zijn mensen.
De pinguïns zijn een mooie afsluiting van ons bezoek aan Melbourne en de volgende dag vliegen we naar Hobart op Tasmanië. We zouden eigenlijk om drie uur vliegen, maar zijn omgeboekt naar een vlucht om vijf uur, zodat we nog een ochtend te besteden hebben in Melbourne. We besluiten bij de Docklands, het havenhoofd van Melbourne, te gaan kijken. In tegenstelling tot gisteravond is er op een regenachtige zondagochtend niets te bekennen in de Docklands, geen sterveling en niets boeiends. Aangezien de regen doorzet en we niet echt veel tijd meer voor andere dingen hebben, zitten we onze tijd uit in de lounge van het hotel. Daar valt weinig over te vertellen.
Vlucht naar Tasmanië
Met de shuttlebus gaan we naar de luchthaven. We zijn er al bijtijds, omdat we nu Rik onthand is, voor alles wat meer tijd nodig hebben en zitten dus geruime tijd te wachten. Als het bijna tijd is om te boarden, schiet er een lichtflits langs het raam, gevolgd door een donderslag. Heel de luchthaven wordt gelijk stil gelegd. Geen toestel mag meer landen of vertrekken. Het blijft bij één lichtflits, maar dat helpt niet echt. Zelfs als het toestel waar wij op wachten geland is en zijn passagiers heeft uitgespuwd, gebeurt en nog niets, behalve dat de boardingtijd steeds verzet wordt naar een nieuwe tijd die net gepasseerd is. Het toestel moet na de bliksemschicht volledig gecontroleerd worden. Dan komt er goed en slecht nieuws. Het toestel is in orde bevonden, maar het slechte nieuws is, dat het papierwerk nog niet op orde is. We wachten opnieuw. Kennelijk zijn ze of op zoek naar iemand die kan schrijven of naar een pen, want er gebeurt opnieuw een tijd niets. Uiteindelijk mogen we uren na de oorspronkelijke vertrektijd aan boord. Een pak van ons hart, want we zagen er al van komen dat de vlucht geannuleerd zou worden. Riks koffer komt redelijk snel. Mijn rugzak heeft kennelijk lang gezocht naar zijn vertrouwde blauwe rugzakmaat, die in Brisbane is achter gebleven en komt als allerlaatste van de band.
Buiten vinden we snel een taxi met een ontzettend aardige chauffeur die er op staat om onze bagage het hotel in te dragen vanwege Riks blessure en omdat we volgens hem moe zijn van de vliegreis. Alle restaurants in Hobart zijn inmiddels dicht, behalve een Chinees en Domino’s pizza die ons een voortreffelijke pizza serveert. Thuis pakken we opnieuw om, zodat we voor de volgende tocht niet met alles hoeven te sjouwen.
Op Tasmanië blijven we een poosje. We starten met een tiendaagse rondreis over het eiland met een Australische reisorganisatie. We hebben geboekt en gecorrespondeerd met ‘Real Aussie’, maar de voucher die we krijgen is van Underdownunder. Dat gebeurt vaker, de contactagent is dan een soort bemiddelaar. Die tour doet heel Tasmanië aan. Het is een algemene tour om alle hoogtepunten, qua landschap, natuur en cultuur op Tasmanië te bewonderen. We starten vanuit Hobart, steken dwars door naar de westkust, klimmen omhoog langs de westkust en gaan dan via de noordkust verder, een stukje landinwaarts naar Launceston, de tweede stad van Tasmanië en keren dan terug naar Hobart. De laatste dagen doen we uitstapjes vanuit Hobart.
Over Tasmanië
Het eiland Tasmanië ligt 240 kilometer ten zuidoosten van het vasteland. Het eiland wordt gezien als scheiding tussen de Grote en de Indische Oceaan. Langs de westkust stroomt de Zeehanstroom, langs de oostkust de Oost-Australische stroom. Tasmanië was het grootste deel van de afgelopen 100.000 jaar verbonden met het Australische vasteland. Daardoor werd het waarschijnlijk vrij snel bevolkt na de aankomst van de eerste ontdekkingsreizigers in Australië. De eerste Australiërs zouden reeds 60.000 jaar geleden op het continent kunnen zijn aangekomen. Het eiland raakte rond het eind van de laatste ijstijd, zo’n 11.700 jaar geleden gescheiden van het vasteland.
De gouverneur van Nederlands-Indië, Antonie van Diemen, gaf Abel Tasman opdracht voor een ontdekkingsreis naar het vasteland van Australië. Op zijn reis in 1642 ontdekte Tasman het later naar hem vernoemde eiland. Hij noemde het naar zijn opdrachtgever: Van Diemensland. Aan het einde van de 18e eeuw koloniseerden de Engelsen het eiland en brachten er Engelse en Ierse gedeporteerden onder. Nadat deze deportaties vanuit Engeland werden stopgezet, veranderden de Vandiemenslanders de naam van het eiland op 1 januari 1856 in 'Tasmanië', naar zijn Nederlandse ‘ontdekker’. De hoofdstad Hobart is, na Sydney, de oudste stad van Australië.
Hoewel het eiland de kleinste deelstaat is, zijn er ongeveer 500 zelfstandige beschermde gebieden, met een totale oppervlakte van 40% van de landoppervlakte van Tasmanië. Het eiland werd lange tijd gezien als vooruitstrevend op het gebied van de natuurbescherming, maar inmiddels zijn daar wat twijfels over. Gebieden worden bedreigd door houtkap en niet beschermde gebieden met vernietiging. Desalniettemin staat de Tasmaanse wildernis qua natuur en cultuur op de Werelderfgoedlijst.
Op Tasmanië komen twee soorten roofbuideldieren voor. Zo is het eiland de enige plek waar de Tasmaanse duivel nog rondloopt, een zwart-wit gekleurd buideldier, bekend om zijn grote vraatzucht en agressieve gedrag. Sinds eind 20e eeuw neemt het aantal Tasmaanse duivels zienderogen af. Dit is onder meer het gevolg van een tumorziekte. Een ander roofbuideldier dat hoofdzakelijk op Tasmanië wordt aangetroffen is de gevlekte buidelmarter. Tot begin jaren 30 van de 20e eeuw was Tasmanië ook het enige gebied waar de buidelwolf (of Tasmaanse tijger) zich nog ophield, maar het laatste exemplaar van dit roofbuideldier stierf in 1936 in de dierentuin van Hobart. Tasmanië herbergt nog een aantal andere dieren die nergens anders (meer) voorkomen.
Prachtige landschappen
We starten met de tour vanuit ons hotel, het hotel waar de tour later in de rondreis ook naartoe terugkeert en waar we op het eind ook weer extra nachten hebben bijgeboekt. Hoe we ook praten bij de receptie, de receptionist blijft volhouden dat we pas na afloop van de tour in het hotel terugkomen. We leggen uit dat we er al eerder met een groep aankomen, maar wat we ook zeggen, ‘computer says no’. We geven dus de bagage maar af tot het eind van de tour. Wie weet is er nadat wij de tour geboekt hebben wel gekozen voor een ander hotel in Hobart en zitten we inderdaad met de groep ergens anders. We hopen wel dat de organisatie echt bestaat, want meer dan een beschrijving op de website en een voucher voor de tour hebben we niet. Gelukkig komt precies om half acht Anthony met zijn bus met bagageaanhanger aanrijden die een ‘Rik, 2 people’ zoekt.
De eerste dag zitten we al gauw in de prachtige landschappen. We bezoeken eerst de Russell Falls in Mount Field National Park. Het park, gesticht in 1916, is een van de oudste parken van Tasmanië. Het landschap varieert van gematigd regenwoud tot alpiene veengebieden in de hoge delen zoals Mount Field zelf die 1.434 meter hoog is. Het park maakt net als de rest van de nationale parken die we vandaag bezoeken deel uit van de door Unesco uitgeroepen Tasmanian Wilderness World Heritage Area. In 1933 is de laatst bekende wilde Tasmaanse tijger (of Tasmaanse wolf) hier gevangen.

Mount Field NP
De wandeling door het park is niet lang, maar wel prachtig. We lopen door hoge boomvarens en gigantische, dikke eucalyptusbomen door een meer dan groen en rijk begroeid bos naar de waterval. De waterval is ontstaan doordat zachte horizontale lagen rots geërodeerd zijn, terwijl het hardere verticale gesteente bleef bestaan. Het gevolg is nu dat midden in het overdadig groene bos een brede waterval over meerdere trappen naar beneden stroomt.
We lunchen bij Lake St. Clair in het Cradle Mountian-Lake St. Clair National Park. Bij het meer eindigt een lange afstandspad dat vanaf de top van Mount St. Clair in een aantal dagen afdaalt naar het meer. Bij het meer staat een grote verzameling zware rugzakken van mensen die de tocht volbracht hebben. Het is een zware tocht met kans op alle slecht weer soorten die je je voor kan stellen waarbij je alle bagage over moeilijke bergpaden mee moet slepen. Hij is alleen geschikt voor zeer ervaren wandelaars en dat geloven we meteen. Ons wandelingetje naar het meer stelt niets voor, maar het meer is prachtig. Het meer met een oppervlak van 45 km2 en een diepte van 215 meter, is in de loop van miljoenen jaren door gletsjers gevormd en is het diepste meer van heel Australië.
Rijdend van oost naar west passeren we de oost-west scheiding (East-West Divide), een echte grens. Reden we eerst door een landschap met dicht groen regenwoud en lieflijk golvende groene heuvels, na de grens is het landschap totaal anders. Het vriendelijke groen heeft plaats gemaakt voor grillige hoge bergen met naaldbos op de steile hellingen en diep ingesneden dalen. We stoppen opnieuw bij een nationaal park, het Franklin-Gordon Wild Rivers National Park, vernoemd naar de twee rivieren in dit park. Ook dit park maakt deel uit van de Tasmanian Wilderness World Heritage Area Het park is het toneel geweest van een belangrijke milieustrijd. De regering was van plan om in de Franklin rivier een dam te bouwen voor een grote waterkrachtcentrale. Een te grote ingreep voor zo’n prachtig gebied. Er is felle strijd gevoerd en uiteindelijk hebben de milieuactivisten de strijd gewonnen en heeft de regering afgezien van de geplande dam.
Queenstown
We wandelen opnieuw naar een waterval, de Nelson Falls. Ook dit is een prachtige waterval die getrapt naar beneden stort. Het bos waar we door lopen is anders dan de andere bossen. Er zijn minder boomvarens, de bomen zijn dunner en op enkele bomen na zijn er minder hoge bomen In plaats van de boomvarens zijn er heel veel lagere varens. Wel zijn alle bomen net zo begroeid. Op elke boom zit een heel ecosysteem met ik weet niet hoeveel soorten mos, korstmos, orchideeën, varens en nog veel meer. Het is echt overal prachtig.
Voordat we onze bestemming, Queenstown, bereiken, stoppen we nog bij Iron Blow. Queenstown is een mijnstad en Iron Blow was de eerste plek waar de delving begon. Aanvankelijk werd naar goud gezocht, maar de opbrengst daarvan viel tegen en de echte winst kwam toen er koper gevonden werd. Vanaf 1883 tot 1929 is dit een actief mijnbouwgebied geweest en dat is goed te zien. De omgeving is op sommige stukken volledig kaal en begint zich op andere plekken aardig te herstellen van alle gifstoffen die bij de mijnbouw gebruikt werden. De stadjes rondom het mijnbouwgebied zijn nu vooral spookstadjes met nog een handjevol bewoners.
Queenstowns geschiedenis is onlosmakelijk verbonden met de mijnbouw. Rond 1900 was Queen-stown het centrum van het mijndistrict en waren er diverse smelterijen en andere industrie. Tijdens zijn bloeitijd waren er theaters, kerken, scholen en een ruime selectie aan hotels. Inmiddels is de stad vooral een toeristische attractie vanwege zijn verleden. Wij bekijken het stadje na aankomst en bewonderen de prachtige houten trap in het Emperor Hotel. Die trap is gemaakt van hout van lokale bomen, maar in Engeland volledig bewerkt en in 1904 vanuit Engeland weer getransporteerd naar Queenstown. Ook het postkantoor en een lokaal hotel zijn fraaie historische gebouwen. We klimmen omhoog naar de Spion Kop Lookout voor een overzicht over de stad. Een mooie volle dag.
Macquarie Harbour en Sarah Island
Vanuit Queenstown rijden we naar de havenplaats Strahan waar we aan boord van een boot stappen. We maken een lange tocht door Macquarie Harbour. Regent het in het westen van Tasmanië de meeste dagen, zowel vandaag als gisteren hebben we geluk. Vandaag is het zelfs prachtig zonnig weer. We passeren al vrij snel Hell’s Gate, een nauwe passage om Macquarie Harbour in of uit te gaan. Het is zulk goed weer dat de kapitein zelfs een stuk uitvaart om de een na hoogste vuurtoren van Australië te laten zien. Dat lukt hem maar dertig dagen per jaar, alle andere dagen is het weer te ruw. We leggen aan bij de beruchte strafkolonie van Sarah Island, officieel Macquarie Harbour Penal Station genaamd. De strafkolonie die van 1822 tot 1833 in gebruik is geweest gold als een van de strengste en werd gebruikt om de zwaarste gevallen – gevangenen die geprobeerd hadden te ontsnappen, gevangenen die in opstand waren gekomen – onder te brengen. Het 8 ha grote eiland leende zich daar door zijn geïsoleerde ligging uitstekend voor. Het was van het vasteland gescheiden door een brede rivier en de bergachtige wildernis en was ver verwijderd van de andere strafkolonies. De enige ontsnappingsmogelijkheid was via Hell’s Gate, maar voordat je dat bereikt had, was je al verdronken door de sterke stroming.
Het leven was er hard. De gevangenen hadden het eiland kaal moeten kappen, waardoor de gure stormen en de felle regens vrij spel hadden. De barakken waren aanvankelijk van hout en hielden weinig tegen. Om de stormen tegen te houden moest er een muur gebouwd worden, waardoor de mannen tijdens hun werkuren meestal tot aan hun nek in het ijskoude water stonden om de gekapte boomstammen op de goede plek te krijgen. Van boomstammen en stenen werd eerst een dam gebouwd, een van de eerste landwinningsprojecten, uitgevoerd in barre omstandigheden. Vanwege het ruige klimaat was kweken van groente vrijwel onmogelijk, aanvoer van goederen kostte maanden tijd. Scheurbuik en andere ziekte waren schering en inslag. Lijfstraffen waren aan de orde van de dag en moesten uitgevoerd worden door een andere gevangene. Sloeg die niet te hard, dan werd hij zelf het slachtoffer van lijfstraffen. Het kan er niet gezellig zijn geweest.

Sarah Island
Aanvankelijk bedacht Sorell, de gouverneur van de strafkolonie dat houtkap (de beroemde Huon pine van Tasmanië levert uitstekend hout) ervoor moest zorgen dat de kolonie economisch rendabel was en zo de kosten voor Engeland terug zou verdienen. Het transport was echter zo lastig dat zijn plan niet helemaal aansloeg. Vervolgens kwam scheepsbouwer David Hoy vrijwillig naar het eiland. Hij had gehoord dat je van de Huon pine uitstekende schepen kon bouwen. Hij was zo snugger om te bedenken dat belonen waarschijnlijk betere werkkrachten en een betere verhouding opleverde dan straffen. Hoy onderhandelde met de gevangenen en beloofde ze tabak, rum en waterdichte slaapplaatsen als ze meewerkten in de scheepsbouw. Korte tijd was het de grootste scheepswerf van de Australische kolonie met geketende gevangenen als arbeiders.
Ondanks de geïsoleerde ligging zijn er sappige ontsnappingsverhalen. Bosbouwer Matthew Brady wist succesvol naar Hobart te ontsnappen nadat hij een cipier vastgebonden had en een boot gestolen had. Een andere ontsnapte gevangene kreeg pardon en werd zelfs te werk gesteld om het gebied waar hij door getrokken was in kaart te brengen. De laatste ontsnapping is het meest spectaculair. Toen de kolonie al aan het afbouwen was, bleven tien mannen achter om de laatste boot af te bouwen. Dat deden ze goed. Ze kaapten vervolgens de boot en wisten te ontsnappen naar Chili. Inmiddels staan er slechts wat ruïnes van gebouwen op het kleine eiland en ziet het er een stuk vriendelijker uit.
Later varen we een heel stuk de prachtige, brede Gordon rivier op met aan beide kanten hoog op-gaand bos. Ook in het bos – opnieuw gematigd regenwoud – maken we een wandelingetje en zien we de beroemde Huon pine die geen Nederlandse naam heeft en wel een naaldboom maar geen den is. Het zijn bomen die heel langzaam groeien (1 mm per jaar) en heel oud (3.000 jaar) kunnen worden. Ze komen alleen in het zuidwesten van Tasmanië voor. De Huon pine is heel recht en daardoor een zeer goede houtsoort. Om in de sfeer te blijven, worden we als we aan het eind van de dag weer van boord stappen door een houtzagerij geloodst, waar ze met grote machines bomen verzagen. Je ontkomt niet aan het winkeltje met veel te dure houten spullen. Vanaf Strahan rijden we naar Tullah waar we overnachten.
Naar noordwesten van Tasmanië
We vervolgen onze rit verder naar het noordwesten van Tasmanië. Onze eerste stop bij Hellyer’s Gorge voert weer door groen gematigd regenwoud dat opnieuw weer anders is dan eerder. We lopen door een bos van boomvarens met ook wat andere bomen, maar de varens overheersen. Niet alleen de boomvarens, maar ook de ondergrond is bedekt met een woud van varens. We lopen een stukje langs de Hellyer’s rivier met aan de overkant een steile bergwand.
We laten al snel het natuurlijk bos achter ons en rijden dan door een immens groot gebied met productiebos met stukken bos die sterk variëren in leeftijd, afgewisseld met kapvlaktes. Daarna komen we meer richting kust. Al het bos is verdwenen en we rijden nu door een glooiend landschap met grote lappen rode landbouwgrond en enorme groene weides met koeien, schapen of alpaca’s. Dit is een erg vruchtbaar gebied, gevormd door heel oude en inmiddels dode vulkanen die nu voor vruchtbare grond zorgen. We krijgen ook zicht op de prachtige noordkust van Tasmanië en we stoppen geregeld voor de uitzichten.
Tijdens de rit vertelt Anthony, onze gids en chauffeur, veel. Niet alleen over de omgeving en wat we zien, maar we kennen inmiddels ook zijn hele familiegeschiedenis, weten waar de familie op vakantie ging en vooral veel over ‘mum’ van ver in de tachtig waar hij na lange tijd weer bij ingetrokken is. Eigenlijk is Anthony met een soort leeftijdsgenoten van ‘mum’ op stap. Is tegenwoordig Rik vaak de oudste van de groep, hier geldt dat zeker niet. We reizen met veertien personen, een echtpaar van boven de 85, een echtpaar van tussen de 75 en 80, twee echtparen en een losse vrouw die wat jonger zijn dan wij en een moeder met een spastische vriendin en een gehandicapte dochter. Zo hoor je al snel bij de fitsten van de groep. Hadden we tijdens de wereldreis nog wel sappige verhalen over drinkgelagen en seksuele uitspattingen van groepsleden, van deze groep verwachten we dat niet.
Bij Stanley, een plaatsje dat op een noordelijke uitloper in zee ligt zien we de ‘nut’, een spectaculaire, 143 meter hoge vulkanische prop in zee. Je kan de 8-12 miljoen jaar oude nut via een heel steil pad beklimmen of met een stoeltjeslift naar boven. Wij bekijken hem vanaf de grond. Stanley is een lieflijk klein plaatsje met nog veel huisjes uit de koloniale tijd. ‘s Middags stoppen we bij Arthur River bij wat de ‘Edge of the world’ (rand van de wereld) heet. Van hieraf is er alleen maar oceaan totdat je 20.000 km verderop in Argentinië uitkomt. We hebben opnieuw een prachtige dag met veel bezienswaardigheden. Mag een groepsreis met gefixeerde tijden niet ons ideaal zijn, we zien op deze manier wel ontzettend veel en van de groep hebben we volstrekt geen last.

Een tulpenveldje in Tasmanië
Tarkine
Ook de volgende dag brengen we nog in de noordwest hoek van Tasmanië door. Daar ligt de zogenaamde Tarkine. De Tarkine is een goed verborgen parel en heel bijzonder. Het is het grootste gebied met gematigd regenwoud in heel Australië en het op een na grootste gebied ter wereld. Daarnaast herbergt het veel Aboriginal sites. Naast 1.800 km2 regenwoud is er 400 km2 eucalyptusbos, en een mozaïek van andere vegetatietypen. Naast de enorme diversiteit aan hogere planten, is er een enorme verscheidenheid aan mossen en korstmossen en veel dieren weten zich goed schuil te houden in het bos. Landschappelijk is het bijzonder fraai.
Wij rijden er rond om verschillende plaatsen te bezoeken en net als op andere dagen, korte wandelingen te maken. Het bos blijft zo verpletterend mooi. Vandaag lopen we door bos met een hoge, dichte bladerkroon die weinig licht doorlaat en er zo voor zorgt dat er weinig ondergroei is en het bos meer open is. Er staan opnieuw veel varens en boomvarens en alle bomen zijn begroeid met alles wat je maar kan verzinnen.
We stoppen bij de Trowutta Arch. Achter een natuurlijke stenen brug, ligt een groen meer. In de loop van de tijd heeft het water diepere, zachte kalksteenlagen opgelost. Dat proces is net zo lang doorgegaan totdat het overblijvende dak erboven is ingestort en in de holte eronder in getuimeld. Een deel van het dak is nu bewaard gebleven en door de poort die overgebleven is zie je het achterliggende meer. In de ontstane kuil – doline of in het Engels sinkhole genaamd – heeft het water zich verzameld dat nu het meertje vormt. Zulke dolines vind je hier meer.

Trowutta Arch
Na een prachtige ochtend in het regenwoud zoeken we de noordkust weer op om verder naar het oosten te rijden. We stoppen bij mooie kustplaatsen en bij een vuurtoren die op een hoge klif staat. Noemenswaard is het plaatsje Penguin, zo genoemd omdat hier de dwergpinguïn ‘s avonds aan land komt. De pinguïn is in alles symbool van de stad. Aan de voet van de prullenbakken staan pinguïns, op het plein staat een reuzegroot dwergpinguïnbeeld en de verkeerspaaltjes hebben pinguïngezichtjes. Het strand is mooi en rustig en heel erg wit. Op de boulevard boven het strand staat een grote plastic kist met daarop een bordje of je het strandspeelgoed na gebruik weer in de mand wil stoppen. De mand ligt vol met balspelletjes, emmertjes, schepjes en alles wat leuk is voor op het strand. Alles is heel en schoon, zomaar open en bloot in een mand.
Nu we uit de Tarkine zijn, rijden we weer door de groene golvende heuvels met vee en gewassen. Wat is een van de dingen die je hier veel ziet: velden vol met kleurige tulpen. De bollen zijn hier van zo’n hoge kwaliteit dat ze naar Nederland geëxporteerd worden. Nooit geweten dat wij bollen uit Australië importeren. We eindigen de dag in Devonport. Een wat grotere plaats met een echte haven.
Wat we na Devonport doen, horen jullie volgende keer, want deze brief begint alweer aardig lang te worden.