[Verzonden op 12 november 2025 vanuit Geeveston]
In de zesde brief heb ik jullie verteld over het eerste deel van onze rondreis met de bejaardengroep over Tasmanië en ben ik geëindigd in Devonport aan de noordkant van het eiland waar we ook weer een nachtje slapen. Nu dus het vervolg vanuit Devonport.
Sheffield en Cradle Mountain
Vanaf de kust gaan we weer meer landinwaarts en onze eerste stop is in Sheffield, gelegen aan de voet van Mount Roland en bekend om zijn goede zuivelproducten. De stad dankt zijn naam aan een zekere Edward Curr die hem vernoemd heeft naar zijn thuisstad in het Engelse Yorkshire. De stad groeide langzaam totdat in 1963 begonnen werd met de bouw van zeven dammen en evenzoveel waterkrachtcentrales en de stad opbloeide. Maar nadat de dammen en centrales tien jaar later klaar waren, liep het stadje weer leeg. Een groep bewoners was vast besloten om hun stadje te redden en in navolging van een Canadees stadje zetten ze een project met muurschilderingen op om zo toeristen te lokken. Dat is ze gelukt. Inmiddels zijn er meer dan 60 muurschilderingen die over de geschiedenis van de stad en over de prachtige natuur verhalen. Per jaar komen er zo’n 200.000 toeristen naar de stad die ze proberen te verleiden tot aanschaf van ander handwerk zoals glas, aardewerk, schilderijen, houtsnijwerk enz. Grappig genoeg komt een deel ons nog bekend voor van 27 jaar geleden, maar een ander deel herkennen we niet.
We rijden verder naar Cradle Mountain. Hadden we tot nu toe steeds schitterend weer, vandaag is het betrokken en onderweg naar het park zet de regen in en weet van geen wijken. Eerder zijn we al aan de zuidkant in het Cradle Mountain-Lake St. Clair Park geweest, maar toen aan de zuidkant voor Lake St. Clair. Nu bezoeken we het Mount Cradle gedeelte. In dit deel zijn geen auto’s toegestaan. Je moet parkeren en kan dan met de shuttlebus verder. Omdat wij een professionele bus hebben, mogen we wel het park in, zij het achter de shuttlebus aan. Dat heeft te maken met het passeren van bussen uit tegengestelde richting.
Boven – nog lang niet op de top van de berg – kunnen we een 6 km lange wandeling maken rond Lake Dove. De omgeving is prachtig. We zijn helemaal uit het regenwoud en lopen door een soort natte heidevegetatie met lage houtige struikjes, verschillende heide-achtige planten en enorme velden met een zeggesoort – buttongrass zonder Nederlandse naam – die enorme pollen vormt. Na lang beraad hebben we besloten de wandeling te doen, ondanks de regen, omdat het volgens Anthony erg de moeite waard is en niet moeilijk. Daar heeft hij helemaal gelijk in en de regen valt best mee. De start verloopt ook prima, maar al snel komen er lange stukken vlonderpad. Op zich zijn die ook prima, alleen loopt het naast het vlonderpad schuin af naar de rivier en omdat Rik bij het wandelen nog steeds een arm in de mitella moet, voelt dat erg instabiel. Omdat hij nou eenmaal niet graag opgeeft en het ook wel erg mooi is, komen we naar schatting tot bijna de helft van de rondwandeling en dan wordt het omzichtige geschuifel over het vlonderpad iets te gortig. Omdat je niet weet of het erger of beter wordt, keren we om. Maakt eigenlijk niet uit, want wat we zien aan planten, landschappen, meer en uitzicht blijft even mooi. Al die tijd gedraagt de regen zich beschaafd.
Op de terugweg met de bus stoppen we bij Ronny Creek. Weten jullie wie we daar zien? Twee geweldige wombats. Op Tasmanië komt een van de drie soorten wombats voor en dit is verreweg de gezelligste om te zien. Eentje zit vlak langs het vlonderpad te schrokken van de zeggeplanten. Hij zit zo dichtbij dat je hem kan horen knagen. Overal in het terrein zie je de holen die ze graven en hun poep. Wombats poepen vierkante pellets van 2 cm3. Wetenschappers hebben zich lang afgevraagd hoe ze dat voor elkaar krijgen – hun uitgang is gewoon rond – en waarom ze dat doen. Het blijkt dat de min of meer vloeibare poep in de laatste 25% van de darmen vast van vorm wordt. In de laatste 8% van hun darmen varieert de elasticiteit van de darmwand en zijn er een soort groeven waardoor de vierkante vorm kan ontstaan. Wat heeft een wombat aan vierkante drollen? Wel, hij gebruikt ze om zijn gebied te markeren en om ze extra onder de aandacht te brengen, legt hij ze bij voorkeur op stenen of omgevallen boomstammen. Ronde poep rolt daar makkelijk van af, maar de wombatvierkantjes rollen helemaal niet. Zo kan de wombat mooie vlaggen in zijn gebied planten. Overigens heeft hij een prachtige vacht. We zien dat de regendruppels gewoon als druppeltjes op zijn vacht blijven liggen en omdat ze niet vierkant zijn, er gewoon af rollen. Te oordelen aan de harde grassen die ze eten en de grote holen die ze met hun sterke poten graven, kunnen ze goed bijten en krabben, maar ze zien er erg aaibaar en knuffelbaar uit met hun ronde kopje, kleine oortjes en bollige lijf.

Wombat in Cradle Mountain NP
Launceston
Aan het eind van de middag komen we in Launceston, de tweede stad van Tasmanië, aan. Het is de twee na oudste stad van Australië en er zijn prachtige gebouwen van naar schatting eind 19e, begin 20e eeuw. We zien oude kerken van donkere stenen en veel oude huizen met balkonnetjes met een soort sierhekjes ervoor. Zagen we gisteren het schone strandspeelgoed voor ieders gebruik, vandaag komen we langs een telefooncel. Die staan hier op veel plaatsen. Die mag je binnen Australië gratis gebruiken en ze lijken gewoon te werken. Geen enkele die we zien is kapot of vernield.
Vlak buiten Launceston is de Cataract Gorge. Al voordat we op pad gaan naar de bezienswaardigheid, zitten er verschillende pademelons tussen de struikjes en op het gras te eten. Pademelons zijn nauwe verwanten van kangoeroes. Het verschil zit hem voornamelijk in de kortere staart en het feit dat ze vooral op vier poten lopen en niet op hun achterpoten springen. Verder zijn ze wat molliger en boller en hebben ze een lekkere harige vacht en zachte, harige oortjes. Tot nu toe hadden we ze maar een keer heel vluchtig gezien, zo leuk om ze nu echt goed te kunnen bekijken.

Pademelon in Launceston
Via een wandelpad loop je naar een hangbrug over de kloof en de South Esk rivier. De kloof is prachtig met twee steile, begroeide wanden en in de rivier zijn verschillende stroomversnellingen. Er loopt een wandelpad dieper de kloof in, maar dat is vanwege het risico van vallende stenen afgesloten. Een jong stel klimt over de afzetting heen het verboden pad op en niet veel later klimmen ze op een rots. Boven op de rots zien we ze in de weer met allerlei touwen, bezig om zich te zekeren. Hoog boven de snel stromende rivier hangt een touw dat aan beide oevers stevig vastzit. Ze zijn zich aan het voorbereiden op de oversteek via het hoge touw. Wij houden het bij het wandelpad.
Bicheno met dwergpinguïns
Vanaf Launceston rijden we naar de oostkust van Tasmanië waar we een aantal plaatsen aandoen. De oostkust is hier veel vriendelijker met witte stranden en kalmere zee dan de ruige, rotsige westkust. Bay of Fire (vuurbaai) is wel een vermelding waard. De baai heet zo sinds kapitein Fumeaux in 1773 langs voer. Hij zag allerlei vuren van de Aboriginals op het strand. Het was voor de Aboriginals een belangrijke ontmoetingsplaats en boven de vuren maakten ze hun oogst uit zee klaar. Een andere verklaring voor de naam verwijst naam de knaloranje korstmossen die de rotsen hun feloranje kleur geven. Maar volgens Anthony klopt die verklaring niet. Het is, waar de naam ook vandaan komt, een prachtig wit strand met mooie uitzichten over zee en indrukwekkende rotsen.
We overnachten in een toeristisch plaatsje aan de oostkust, Bicheno. Bij Bicheno is de Blowhole. In een grote rots zit bovenin een gat. De golven slaan stuk op de rotsen, maar via een opening spoelt het water ook naar binnen. Daar kan het geen kant op, behalve naar boven door het gat aan de bovenkant. Het effect zijn metershoge fonteinen die uit het gat spuiten. Je moet wel geduld hebben want lang niet alle golven zijn sterk genoeg om een hoge fontein te creëren.
In Bicheno kunnen we opnieuw naar de dwergpinguïns. Het klinkt te verleidelijk om niet opnieuw te gaan. Hier is het veel kleinschaliger dan op Phillip Island, waar hordes en hordes mensen waren. We konden alleen nog boeken voor de derde en laatste bus en we zijn met een man of vijftien. De andere groepen bestaan uit een man of twintig. De bus rijdt ons naar de parkeerplaats vanaf waar we verder moeten lopen. Het pad is met kleine oranje lampjes verlicht, omdat de pinguïns geen last hebben van oranje of rood licht. Al heel snel zien we de pinguïns bij hun nesten rondscharrelen. Een enkeling ligt op zijn buik naar ons te kijken, sommige zijn nog onderweg naar hun nest. We komen op een plek met bankjes en van daaraf zien we kleine groepen pinguïns uit zee komen om via het strand naar de duinen te lopen en omhoog te klimmen naar hun nest. Ze nemen allemaal het zandpaadje omhoog langs de bankjes. Ze blijven zo ontzettend leuk. We lopen verder om vanaf een andere plek opnieuw pinguïns uit zee omhoog te zien klauteren. Voor we het weten is het uur om en moeten we terug naar de parkeerplaats. Maar ook dan zien we langs het pad nog de pinguïns bij en om hun nest.

Pinguïns in Bicheno
Het is hier zo veel vriendelijker en kleinschaliger dan op Phillip Island. Daar was het een toeristencir-cus, hier draait alles om de pinguïns. We horen hier ook dat de pinguïns alleen aan land komen als het nodig is. Alleen in de paartijd, als ze eieren hebben en als de jongen nog te klein zijn om het grote oceaanavontuur aan te gaan of om te ruien, komen ze ‘s avonds aan land. Een van de ouders bewaakt het nest terwijl de ander uit eten gaat of voedsel verzamelt voor de jongen. Soms slaan ze een dagje strand over. Als de jongen groter zijn gaan paps en mams allebei op jacht in zee naar vis en inktvis. Pubers hebben nu eenmaal altijd honger. Als de jongen zeewaardig zijn, gaan ze mee naar zee en moeten ze zichzelf zien te redden. In een periode van vijf maanden komen ze nauwelijks aan land, zeker de jongen niet. Op het land zijn veel meer predatoren dan in zee.
Wat de tocht nog bijzonderder maakt is dat de zee licht geeft. De grootste kans op een lichtende zee heb je na een paar warme dagen. De lichtjes worden verzorgd door een eencellig algje, de zeevonk (Noctiluca scintillans), die het pigment luciferine heeft. Als er zuurstof aanwezig is zorgt het enzym luciferase ervoor dat luciferine oxideert en daarbij geeft het licht af. Je ziet de lichtjes als fonkelende sterretjes in de aanspoelende golven. Echt een bijzonder fenomeen.
Freycinet NP
We blijven nog even langs de oostkust voor het Freycinet National Park dat voornamelijk op het Freycinet schiereiland ligt en vernoemd is naar een Franse zeevaarder. Het park omvat een groot deel van de ruige oostkust, maar heeft ook prachtige baaien met wit zand. Een bergketen met een reeks kale, steile granietpieken, de Hazards, domineert de skyline net als Mount Freycinet zelf. De mineralen in het graniet geven de rotsen een rood-paarse kleur. Qua fauna en flora is het park belangrijk, veel endemische soorten komen in het park voor. Zoogdieren laten zich niet zomaar spotten, vogels iets meer en op een van de uitkijkpunten zie ik dankzij mijn superkijker, heel ver weg drie – vermoedelijk – Kaapse pelsrobben liggen. De vegetatie bestaat uit aan droogte aangepast bos waarin weer andere eucalyptus soorten domineren met een heide-achtige ondergroei. Het begint saai te worden, maar ook hier is het met alle uitzichten, de fraaie landschappen en planten, prachtig.
Onderweg heeft Anthony gezegd dat we naar de Wineglass Bay lookout kunnen klimmen – een wandeling die aangekondigd staat als een van 1000 treden – en dat hij denkt dat die maar voor vijf of zes mensen van de groep haalbaar is. Aangezien je dezelfde weg terug moet, besluiten we te kijken hoe het gaat. Stoppen kan altijd nog. Dit keer is het pad prima, de 1000 treden slinken tot 400 en we hebben lang de aangekondigde 40 minuten niet nodig om boven te komen. Klimmen gaat ons sneller af dan dalen. Het uitzicht is adembenemend. Omgeven door de ruwe, kleurige toppen van de Hazards, ligt diep beneden een bijna cirkelvormige baai met turquoois-blauw water te schitteren in de zon. Langs de baai loopt een halve cirkel van puur wit strand. Elke foto van welke strandbrochure dan ook, steekt bleekjes af bij wat wij zien. De klim is de moeite waard geweest.
Na het mooie Freycinet park blijven we nog lang langs de kust rijden met de nodige prachtige uitzichten. We stoppen nog bij een grote wijngaard annex wijnmakerij en wijnproeverij waar je voor teveel geld wijn kan proeven. We laten onze beurt voorbij gaan. Voordat we Hobart bereiken stoppen we nog bij een klein kerkje met bijzonder mooie en kleurige glas in lood ramen. Hadden we voor vertrek problemen met het hotel en de opslag van de bagage omdat de receptionist bij hoog en laag volhield dat we pas drie dagen later terugkwamen, nu treffen we een efficiënte dame. Ze kent ons, snapt dat we vijf dagen in een en dezelfde kamer willen zitten en dat we niet drie dagen op de bagage willen wachten. De komende dagen maken we uitstapjes vanuit Hobart.
Excursies vanuit Hobart, dag 1
We starten onze eerste excursiedag vanuit Hobart met een bezoek aan het Bonorong Wildlife Sanctuary. Dat is geen dierentuin maar een opvang voor dieren die gewond zijn geraakt in klemmen, aangereden zijn of om andere reden opvang nodig hebben. Het centrum probeert de dieren op te lappen en ze weer terug te zetten in hun natuurlijke omgeving wat gelukkig bij heel veel dieren lukt. Ze hebben er vooral dieren van Tasmanië zelf, maar soms ook een verdwaalde koala – die komen op Tasmanië niet voor – die in beslag genomen is of ontsnapte volièrevogels. Met enkele bedreigde diersoorten zoals de buidelmarter, een klein buidelroofdier dat er slecht voorstaat in het wild, werken ze mee aan fokprogramma’s.
We krijgen van een aardige vrijwilliger een rondleiding en zien de beroemde Tasmaanse duivel. Alle dieren hier hebben een verhaal. Zo is er de mierenegel die door een hond aangevallen is en nu een achterpoot mist, de albino zwarte kaketoe die door zijn soortgenoten verstoten werd en als uitge-mergeld jong hier terecht gekomen is en de 100 jaar oude kaketoe die zijn baas heeft overleefd en nog steeds ‘Hello Cocky’ en ‘What is your name’ roept. We krijgen zakjes kangoeroevoer, maar net als in Lone Pine Sanctuary zijn de kangoeroes niet erg geïnteresseerd. Geen wonder, want er staan voerbakken vol eten. Alleen als je naar ze toe loopt en het voor ze houdt, zijn ze bereid het op te eten. Ze knoeien meer op de grond dan dat ze binnen krijgen. Het wemelt er ook van de konijnen. Die worden niet opgevangen, maar ze vinden het er heerlijk wonen, met prima grond voor konijnenholen en elke dag gratis een overdaad aan kangoeroevoer. Wat echt leuk is is dat we de buidelmarter echt goed kunnen zien. Natuurlijk hopen we die ook in het wild te zien, maar die kans achten we bijzonder klein en ze zijn echt geweldig met hun gespikkelde vacht en felle koppies.
In Richmond duiken we de geschiedenis in. Richmond is beroemd vanwege zijn vele historische gebouwen uit de jaren 20 en 30 van de 19e eeuw, alhoewel zijn geschiedenis niet heel fraai is. Richmond was het hart van de strafkolonie en gouverneur George Arthur hield van orde en regelmaat Hij stelde diverse magistraten aan om een strak strafbewind te voeren en alle bewegingen en gedragingen van de gevangenen vast te leggen. Richmond vormde een soort centrale regering en had een rechtbank waar twijfelachtig recht gesproken werd. De prachtige stenen Richmond Bridge met zijn vele bogen is gebouwd door gevangenen net als de St. John kathedraal die de oudste katholieke kerk is. In de meeste historische panden huizen nu kunstgaleries, restaurants of snoep- dan wel souvenirwinkels. Richmond heeft een bijzonder museum: het poepmuseum, gewijd aan dierenpoep. Helaas is het museum twee dagen in de week dicht, net op de dag dat wij er zijn.
Hadden we gisteren schitterend weer, vandaag giet het van de regen als we opstaan, maar bij het Bonorong Sanctuary en in Richmond is het grotendeels droog. Wel blijft het heel de dag zwaar be-wolkt. Dat merken we goed bij onze volgende bestemming. Hobart ligt aan de voet van de 1.271 meter hoge Mount Wellington in het Wellington Park. Het is een soort tafelberg en van bovenaf heb je een fraai en ver uitzicht, op voorwaarde dat het weer goed is. Terwijl we naar de top rijden, zien we de vegetatie veranderen. Beneden is welig, groen bos, maar boven staan stevige, lage struiken die het barre weer op deze hoogte kunnen verdragen. Zelfs op zomerdagen kan hier sneeuw vallen. Vandaag hebben we geen sneeuw, maar heel dichte mist. Onderweg zijn de bomen slechts zwarte schimmen in dichte wolkenflarden en hoe hoger we komen, hoe minder we zien. Het zicht is hooguit 30 meter en als je iets te ver weg loopt, heb je geen idee meer waar je vandaan komt. Het fraaie uitzicht op Hobart moeten we maar geloven, maar spectaculair is het evengoed. Als we afdalen kunnen we de wereld weer zien.
Excursies vanuit Hobart, dag 2: Bruny Island
Een tweede uitstapje vanuit Hobart voert ons naar Bruny Island, een eiland van 362 km2 dat ten zuiden van Hobart in de Tasman zee ligt. Om er te komen, moet je een korte oversteek met de ferry over het d’Entrecasteaux kanaal maken. Zowel het eiland als het kanaal zijn naar de Franse ontdekkingsreiziger Antoine Bruni d’Entrecasteaux genoemd. Het eiland heette eerst ook Bruni, maar om ondoorgrondelijke redenen is daar in 1918 Bruny van gemaakt. Abel Tasman heeft in 1642 het eiland voor het eerst gezien, maar had niet door dat het om een eiland ging. In 1773 legde de Engelsman Furneaux aan in een baai die hij naar zijn schip ‘Adventure Bay’ noemde. Nadat zijn mannen op onderzoek uit waren geweest, stelde hij vast dat er sprake was van een eiland.
Vier jaar later volgde James Cook die in de baai, bij Two Trees Point, zoet water vond. Hij kerfde zijn naam in een boom die in 1905 ten prooi is gevallen aan een bosbrand. Er is nu een plaquette voor Cook. Omdat goed water erg belangrijk was, liet een van de ontdekkingsreizigers op zijn tocht in 1792 zijn kunstenaar een schilderij van de twee bomen maken. Een afbeelding van het schilderij staat op het informatiebord en de bomen zien er nog bijna net zo uit als meer dan 230 jaar geleden. In de eerste helft van de 19e eeuw was het er druk met walvisvaarders. Daarnaast was houtkap belangrijk. Er werd een tramweg aangelegd en de meeste nederzettingen fungeerden als haven. Nu is het eiland vooral een vakantie-eiland met stranden, nationale parken en historische plekken.
Eigenlijk bestaat Bruny Island uit twee eilanden – Noord en Zuid Bruny – die verbonden zijn door een lange smalle zanderige strook, aangeduid met ‘The Neck’. Op een paar dorpjes na is het eiland bedekt met grazige velden of droog eucalyptusbos. In het binnenland is veel bos verdwenen, maar grote stukken, vooral langs de zuidoostkust zijn bewaard gebleven in wat nu het South Bruny National Park is. Er zijn twee grote stranden, maar voor de rest is het eiland ruig en bergachtig met dolorietkliffen van 200 meter. Qua natuur is Bruny prachtig. Het is uitgeroepen tot belangrijk vogelgebied, omdat van twee soorten vogels hier de grootste of een groot deel van de totale populatie zit. Daarnaast komen er een flink aantal Tasmaanse endemen (soorten die alleen op Tasmanië voorkomen) voor.
Net als gisteren regent het ‘s morgens als we vertrekken behoorlijk. Onze eerste stop is bij ‘The Neck’ waar je via een lange trap naar het uitzichtpunt kan klimmen. Van daaraf kan je de lange zandstrook zien die de twee delen verbindt. 27 jaar geleden zijn we ook op Bruny Island geweest en we kunnen ons dit plaatje allebei nog zo voor de geest halen. Wel denken we dat de stevige houten trap er te nieuw uitziet om er toen ook al geweest te zijn. Gelukkig is de regen aanzienlijk minder en later op de dag klaart het zelfs aardig op. We verkennen het hele eiland, zien de vuurtoren in het zuiden en bezoeken Adventure Bay en Two Trees Point. Overal is het even mooi en nog net zo mooi als we het al die tijd voor ons hebben gezien. Heel Tasmanië is mooi, maar Bruny Island is wel heel bijzonder. Het heeft alles: stranden, verschillende bostypen, heideachtige vegetatie, groene weides en ruige klifkusten. Een eiland om van te houden. Tel daar alle vogeltjes, planten en wallabies bij op en je snapt waarom we het hier zo mooi vinden. Een van de wallabies die we zien heeft een grappig kleintje dat bijna niet meer in de buidel past, een andere is albino en een derde zit op de parkeerplaats zeker een kwartier lang stomverbaasd naar ons te kijken.
Het middagprogramma past ons minder. We stoppen bij winkels die lokale producten verkopen. We kunnen te dure chocolade, honing, kaas en bier kopen. Doen we niet. Vinden de anderen de shops nog wel boeiend, de drive-in oesterwinkel slaat iedereen over. Wat wel erg apart is, is de bakker. Langs de kant van de weg staan drie vriezers naast elkaar met erboven een bordje ‘brood’. In alle drie de vriezers zit brood. Dat brood bakt de eigenaar van de vriezers en kan je kopen. Je pakt het uit de vriezer en doet geld in een potje. Mocht je geen cash hebben staat aan de binnenkant van de deur het bankrekeningnummer van de broodbakker. Je moet dat nummer fotograferen en mag dan thuis geld overmaken. Pak je het laatste brood, moet je het bordje ‘brood’ van het haakje halen en omgekeerd op een van de vriezers leggen, zodat iedereen weet dat de bakker uitverkocht is. Om vier uur pakken we de ferry terug en we rijden opnieuw met harde regen terug naar Hobart.

Broodverkoop op Bruny Island
Excursies vanuit Hobart, dag 3: Tasman Peninsula
Onze laatste dag van de tiendaagse reis is gereserveerd voor het Tasman schiereiland, dat sinds 2021 officieel de dubbele naam Turrakana/Tasman Peninsula heeft, om recht te doen aan de Aboriginals. Het ligt ten zuidoosten van Hobart en ten zuiden en westen van het Forestier schiereiland waarmee het via een landengte, die Eaglehawk Neck heet, is verbonden. Het Forestier schiereiland is op zijn beurt weer via een landengte verbonden met het vasteland. Het schiereiland van 660 km2 is vooral bekend vanwege de historische Port Arthur Site die op de Werelderfgoed lijst staat.
Maar er is meer te zien in het Tasman National Park. Dat park beschermt vooral de ruige kust met zijn kliffen van soms 300 meter. In de loop van vele jaren zijn bijzondere en spectaculaire formaties ontstaan. Bij Eaglehawk Neck stoppen we om die te bewonderen. Zo zien we ‘Devil’s kitchen’, een 60 meter diep gat waar de hoge golven van de Grote Oceaan met veel geweld en dikke schuimkragen tegen de wanden beuken. Geen plek om pootje te baden. Tasman Arch, ook al vernoemd naar onze Nederlandse zeevaarder, is een indrukwekkende, hoge brugachtige structuur met daaronder een diep gapend gat. Zulke formaties danken hun ontstaan aan erosie door de krachtige oceaangolven, die van geen wijken weten en geleidelijk aan op breuklijnen in het gesteente gaten weten uit te slijten. Als dat proces lang genoeg doorgaat, kunnen zwak geworden gedeeltes uiteindelijk instorten, zodat slechts een brug overblijft. Als ook die het begeeft, krijg je ongeveer Devil’s kitchen.
Veel zuidelijker bekijken we Remarkable Cave. Vanaf een mooi uitzichtpunt kan je helemaal afdalen naar de basis van de grot. Beneden zie je aan het eind van een tunnel een doorkijkje door de massieve grot waar het zeewater binnen kan stromen. Als je in de uiterste uithoek van het platform gaat staan, kan je nog het licht via een andere opening binnen zien vallen, want het is een grot met een duo-opening. Met een beetje fantasie kun je in de opening aan het eind van de tunnel de vorm van Tasmanië herkennen, een feit waar de ‘Tassies’ zelf erg groots mee zijn.

Remarkable Cave
Port Arthur was in de vroege jaren van de 19e eeuw de eerste nederzetting op het schiereiland. Het was een strafkolonie die, net als Sarah Island, bedoeld was voor de zwaarste gevallen. De plek kwam in aanmerking vanwege zijn geïsoleerde ligging en zijn betere bereikbaarheid over zee ten opzichte van vergelijkbare strafkolonies. Daarnaast was het een prima plek om hout te leveren voor scheepsbouw en andere constructies en in de diepe, beschutte baai konden Britse oorlogsschepen gerepareerd worden en walvisvaarders aanleggen. De ontsnappingsmogelijkheden van de gevangenen werden nog extra beperkt, omdat op de enige ontsnappingsroute via de landengte Eaglehawk Neck, een lange lijn wachten met agressieve honden stond, die ontsnapping schier onmogelijk maakte. Toch zijn er ook van hier enkele succesvolle ontsnappingen geweest.
We starten onze bezichtiging in een groot bezoekerscentrum met een introductiefilmpje. Het complex is flink groot en bevat nog talloze gebouwen en ruïnes. We kunnen in veel gebouwen binnen kijken. Zo is het huis van de medische officier volledig in stijl ingericht, net als het verblijf van de commandant en van senior officieren. Er staan ook nog steeds genoeg ruïnes. Van het ziekenhuis, het armenhuis en sommige verblijven voor personeel zijn slechts muren over. Het armenhuis was een schamele voorziening voor gevangenen die hun straf uitgezeten hadden, maar nergens meer terecht konden en te oud of te ziek waren om te werken. Van de grootste penitentiaire inrichting die ooit honderden gevangenen huisvestte is de voorgevel nog prachtig, maar daarna zijn er enkel nog wat muren. Je kan wel zien hoe indrukwekkend het gebouw was.

Port Arthur
Erg indrukwekkend is de stervormige gevangenis voor de allerzwaarste gevallen. In de sterarmen waren de cellenblokken en in het centrale deel konden de bewakers alle sterarmen overzien. Boven in het centrum was een kapel waar de gevangenen, gelovig of niet, de mis bij moesten wonen. Vanuit Amerika waren de nieuwste inzichten over het gevangeniswezen overgenomen. Lijfstraffen werden minder toegepast, in plaats daarvan werden de gevangenen streng geïsoleerd. De isolatie was volledig. In het donker, zonder geluid en zonder enig contact werden de gevangenen verplicht om alleen met zichzelf bezig te zijn, hun misdaden te overdenken en tot inkeer te komen. Ze werden alleen met hun celnummer aangeduid, namen waren verboden. Als ze uit hun cel moesten, kregen ze een kap over hun hoofd, zodat de gevangen elkaar en de bewakers niet konden zien. In de kapel zaten ze allemaal in hun eigen houten hokje, van elkaar gescheiden door een deur en met een kap op. Van zo’n geestelijke mishandeling werden de gevangen uiteindelijk geen betere mensen wat niemand tegenwoordig nog zal verbazen.
We maken nog een korte rondvaart door de baai en dan zit onze tijd er alweer op. Drie uur is te kort om alles te zien, het is een zeer interessante historische plek en het is beter om er nu te zijn dan een kleine 200 jaar geleden. Een mooie afsluiting van de tiendaagse reis die veel te snel om is gegaan.
Op zoek naar slaapzakken of dekens
Na afloop van de Tasmanië rondreis hebben we nog een dagje in Hobart gepland. Dat is maar goed ook, want we hebben die dag het nodige te regelen. We beginnen met de was. Vrijwel alle hotels hebben hier een guest laundry waar je tegen betaling de was kan doen in grote wasmachines en drogers. De machines zijn sneller dan thuis en om acht uur hebben we een grote stapel frisse kleren.
Verder heeft Rik weer een afspraak met de fysio. De naam deed al vermoeden dat het geen Australiër was, Michiel van Straten komt uit Den Haag, heeft eerst op het vasteland van Australië gewoond, daarna weer in Nederland (Hoenderloo) en woont nu alweer 3,5 jaar op Tasmanië. Ondanks de oefeningen is Riks arm nog lang niet over, een heel licht rugzakje – Rik heeft nooit een licht rugzakje met alle fotospullen – zou misschien mogen, maar meer niet en bij de zware telelens kijkt hij heel bedenkelijk. We hebben hier echt goede ervaring met alle fysio’s die we geraadpleegd hebben. Ze nemen serieus notitie, zijn uitermate kundig en we hebben echt het gevoel dat ze je op het juiste spoor houden. Natuurlijk was thuis alles sneller gegaan, maar in ieder geval doet Rik wat hij binnen de reismogelijkheden kan doen.
We checken de plek van het busstation. Gisteren zijn we er al langs gelopen en toen zagen we alleen een klein, gesloten kantoor en bussen rijden meestal niet een kantoor uit. Vandaag constateren we een heuse wachtruimte in het kantoor dat nu wel open is en een vriendelijke baliedame bevestigt dat we echt goed zitten. Dan is het tijd voor een lastigere aangelegenheid. Afgelopen week keek Rik nog even de spullen voor ons laatste reisonderdeel door. Wat ontdekte hij dat we nooit eerder gezien hadden? Bij de paklijst stond dat je voor één overnachting een slaapzak mee moest nemen, omdat er alleen een bed met matras was. Tsja, thuis hebben we genoeg slaapzakken, maar afgezien van het feit dat we er toen niet het flauwste benul van hadden, is het ook niet fijn om drie maanden lang een slaapzak voor één nacht mee te slepen. Ze nemen nogal wat plek in. Anthony heeft verteld waar we buitensportzaken kunnen vinden en fysio Michiel verwijst ons naar dezelfde plek.
We gaan dapper op weg en stappen de eerste grote buitensportzaak binnen. We worden door een heel aardig meisje geholpen en ze hebben slaapzakken te kust en te keur. Ze toont ons een van A$ 700 (dik 400 euro). We leggen uit dat dat niet de bedoeling is en waar we ongeveer naar zoeken. Ze zegt dat we dan niet bij haar moeten zijn, want hun goedkoopste slaapzak is nog altijd A$ 200. Maar ze is zo behulpzaam. Ze verwijst ons naar een tweedehands buitensportzaak en naar de K-mart waarvan we vermoeden dat het een soort Action is. Ze wijst op onze telefoon aan waar de K-mart – die ver buiten het centrum ligt – is, zoekt uit met welke bus we er komen en loopt mee naar buiten om de halte te wijzen. Je staat hier versteld van de vriendelijkheid van iedereen. Vlakbij zien we een kringloopwinkel van het Rode Kruis en we besluiten om voor we de reis naar de K-mart ondernemen ons geluk daar te beproeven. Achterin liggen op een klein rekje wat dekens. Uiteindelijk slagen we met een fleece deken en wollen deken bij de kringloop voor samen 25 euro. Ook nog zonde voor een nacht, maar een stuk beter te overzien en goed genoeg voor die ene nacht.
Hobart
Met de Belgische natuurreis van Starling vertrekken we over een paar dagen vanuit Hobart, maar we slapen dan in een ander hotel dan nu. Voor de Starling reis gaan we naar Ross waar we twee nachten slapen en waarvoor dus maar weinig bagage nodig is. We lopen daarom even naar ons nieuwe thuis voor over een paar dagen om te vragen of we al eerder wat bagage mogen stallen. Dat vinden ze prima. Als we daarna nog boodschappen hebben gedaan voor Ross – er is daar alleen een bakker die om 3 uur dicht gaat – hebben we al ons regelwerk er op zitten en kunnen we naar de botanische tuin.
De botanische tuin ligt buiten het centrum en de route voert door een mooi park waar we zomaar een nieuw soort veelkleurige rosella zien. De botanische tuin zelf is prachtig aangelegd met een uit een Engels tuintijdschrift weggelopen vijver. Hoogtepunt is het Tasmaanse gedeelte waar we heel veel planten zien die we ook onderweg gezien hebben, maar nu voorzien van naamkaartjes. Het is er heel aangenaam en we brengen er uren door.

Eastern rosella in Hobart
We hebben nog een laatste – opnieuw natte – ochtend in Hobart voor me met de bus afreizen naar Ross. Van de acht regendagen die Hobart gemiddeld in november heeft, hebben wij er al flink wat meegekregen. We gaan naar de Docks, waar vooral horeca en rondvaarten zijn en naar Salamanca. Salamanca is beroemd vanwege de grote zaterdagmarkt, die er vandaag niet is en Salamanca Square. Salamanca Square is een mooi plein waar je naartoe loopt via een klein doorsteekje dat afgesloten is door een hoge natuurlijke rotsmuur begroeid met planten. In het verleden heeft dit afgesloten hoekje veel verschillende bestemmingen gehad, nu is het een toeristisch plekje. Het plein erachter is een aangename plek met een watertje, wat groen, winkeltjes en grappige beelden.
Daarna gaan we naar een klein museum, het Mawson's Huts Replica Museum. In 1911 is Mawson, een Australische wetenschapper met een groot team afgereisd naar Antarctica om daar wetenschappelijk onderzoek te doen. De achttien mannen hebben in 38 dagen een enorme en solide hut gebouwd, waarvan nog steeds resten op Antarctica staan. Ze hebben daar twee jaar gezeten. Van die hut en de inrichting staat een exacte replica in Hobart. Het geeft een goed beeld van hoe de mannen werkten en leefden. Vooral het verhaal van de expeditie naar het westen die Mawson met twee anderen uitgevoerd heeft, is huiveringwekkend. Alleen Mawson zelf is van die expeditie teruggekeerd. Het eerste slachtoffer is met een hondenslee met zes honden in een diepe gletsjerkloof verdwenen met meenemen van het grootste deel van de voedselvoorraad. De tweede man is door ziekte en uitputting om het leven gekomen. Bij gebrek aan eten werden de honden een voor een geslacht en hij is waarschijnlijk ziek geworden van het hondenvlees. Mawson zelf heeft meer dood dan levend met nog een halve slee en zonder honden de hut weten te bereiken. Onze reis is minder avontuurlijk, maar vinden we toch een stuk aangenamer.
Naar Ross na 27 jaar
‘s Middags stappen we in de bus die ons naar Ross brengt. Het verkeer in Hobart staat zo vast dat we in plaats van even na vieren pas om tegen vijven in Ross zijn. In de stromende regen lopen we van de bushalte naar ons huisje dat gelukkig niet ver weg is. We hebben hier een knus huisje voor ons tweetjes. Aangezien het niet meer droog wordt, stellen we activiteiten buitenshuis uit tot de volgende dag en zitten we genoeglijk op de bank bij het vuur van de open haard. De open haard met vlammetjes staat op een schermpje van de elektrische kachel. Je kan de vlammetjes harder of zachter laten branden wat weinig in de warmte scheelt. Daarvoor moet je een andere toets indrukken.
Ross ligt vrij centraal in Tasmanië aan de Macquarie rivier, tussen Launceston en Hobart in. Het kleine stadje staat op de nationale monumentenlijst vanwege zijn brug, zijn zandstenen gebouwen en zijn gevangenis historie. In de vroege jaren van de 19e eeuw werd Ross gesticht, waarbij gevangenen ingezet werden voor de bouw. De ligging tussen Launceston en Hobart was ideaal en de stad werd een belangrijke garnizoenstad. Daarnaast was het gebied uitermate geschikt voor vee en zowel (melk)koeien als schapen leverden (en leveren nog steeds) een belangrijke bijdrage aan de lokale economie.
Ross is een klein gehucht van een paar honderd mensen en het centrale kruispunt valt dan ook niet te missen. Het is een bijzonder kruispunt waarbij alle vier hoeken namen hebben: ‘Verleiding’, de hoek waar het hotel Man O’Ross staat; ‘Ontspanning’, de hoek waar het voormalige stadhuis staat; ‘Verlossing’, uiteraard de hoek met de kerk en ‘Vervloeking’, de plek van de voormalige gevangenis. Je waant je in het stadje op het Engelse platteland van 100 jaar geleden, een groen dorpje met kleine, zandstenen huisjes met vriendelijke tuinen in rustige met bomen omzoomde straatjes. De tijd lijkt hier stil te hebben gestaan en Agatha Christie’s Miss Marple zou hier zo rond kunnen lopen.

Postkantoor in Ross
De prachtige stenen brug van Ross uit 1836 die op drie stevige stenen bogen rust, is een staaltje van vakmanschap. De brug over de Macquarie rivier is de op twee na oudste brug van Australië. Hij is ontworpen door John Lee Archer, maar gemaakt door twee meestermetselaars, James Colbeck en Daniel Herbert die tot de gevangenen behoorden en die een team van gevangenen ter beschikking kregen ter versterking. De bogen van de brug zijn volledig met kunstzinnig beeldhouwwerk versierd, een enorme klus. Herbert is verantwoordelijk voor al het prachtige beeldhouwwerk, het kan niet anders dat hij daar genoegen in schepte. Omdat beide mannen zulk goed werk hadden geleverd, zijn ze beloond met hun invrijheidsstelling.
Ross was een van de weinige plekken waar vrouwelijke gevangenen ondergebracht waren. Tussen 1847 en 1854 werden in de ‘Female Factory’ vanuit Engeland vrouwelijke gevangenen – vaak veroordeeld voor het stelen van eten – ondergebracht. Ze werden onderverdeeld in drie categorieën. De zwaarste was de strafklasse waarbij vrouwen het zwaarste werk moesten doen en in isolement gehuisvest werden. De tweede categorie, de misdaadgroep kreeg lichter werk dat bestond uit weven, naaien en borduren. De lichtste categorie, de inhuurgroep, werd te werk gesteld als dienstmeisje, huishoudster en vergelijkbare beroepen in huishoudens in het dorp. Er waren ook kinderen in het kamp. Die mochten niet bij hun moeder blijven, maar werden opgevangen door een soort verzorgers. Ze mochten het kamp niet verlaten en mochten hun moeder maar zelden zien. Van het complex zijn alleen de opzichterswoningen bewaard gebleven. Die zijn nu ingericht als een museum en bijzonder boeiend en compleet.
Waarom wilden wij per se naar dit lieflijke, slaperige stadje? Uit nostalgische overwegingen. Met de wereldreis zijn we hier in 1998 geweest. We vonden het toen al een schitterend van het Engelse platteland weggelopen dorpje. In een van de straatjes, stond een prachtig oud huisje uit 1840 te koop. Toen we er even keken, kwam net de makelaar naar buiten die vroeg of we even binnen wilden kijken. Dat we uitlegden dat we uit Nederland kwamen en dus geen huisje gingen kopen, maakte niet uit, hij was er toch. Van binnen was het huisje net zo mooi, met dikke stenen muren en een houten bed dat bij het huisje hoorde. Het huisje was niet groot, maar er achter in een gigantische tuin, stond een groot atelier met heel veel ruimte. Dat alles was te koop voor bizar weinig geld. We waren allebei meteen verliefd. Twee dagen lang hebben we nagedacht hoe we – in een tijd zonder internet en ver voor de tijd van werken vanuit huis – iets met het huisje konden toen. Daarna zijn we weer op aarde geland. Een huisje op een afgelegen plek aan de andere kant van de wereld is niet reëel. Wel hebben we nog steeds de foto van de advertentie van het huisje. We wilden het zo graag nog eens terug zien en daarom gaan we naar Ross. Het huisje staat er nog steeds, het gebouw erachter ook, al kunnen we dat van buitenaf niet goed zien. Het tuintje ziet er netjes uit en er staat al wat kerstversiering, maar de vitrage voor de ramen oogt wat smoezelig en gedateerd. Maar het is en blijft ons droomhuisje.

Het huisje in Ross
Ten opzichte van 27 jaar geleden is er weinig veranderd aan de sfeer van het dorp. In plaats van één bakker zijn er nu drie die koffie, taartjes en pies verkopen en bij hét kruispunt is nu een soort parkje gekomen. Eten kan je er niet kopen en het enige hotel is wegens verbouwing gesloten. Waarschijnlijk zijn er iets meer winkels voor toeristen, maar verder is er nog steeds niets, zelfs geen stoplicht.
In een volle dag heb je genoeg tijd om Ross van voor tot achter te bekijken, dus na twee nachtjes pakken we de bus terug naar Hobart. Daar sluiten we aan bij de Belgische groep van Starling voor een natuur- en vogelrondreis waar we morgen mee starten. Vanavond ontmoeten we de gidsen en de groep. Daar horen jullie meer over in de volgende brief.